Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BRUIJN0017 - Het Wonderkoren

Een sage (boek), 1946

Hoofdtekst

HET WONDERKOREN
De dag was voorbij en de weg strekte zich nog ver vooruit door de wijdte der landen. Traag liep de ezel voort met de kop omlaag, Jozef ging op zware voeten naast hem. Maria schrok uit een lichte dommel op en drukte het Kind onder haar mantel stijver tegen haar borst aan. Toen sloeg ze haar blik op en zag voor zich uit. De schaduwen van de nacht schoven over de kille bevroren aarde. Er was nergens een dorp of een huis te zien. De bomen van een bos in de verte ware door een grijze nevel omhuifd en reeds gleed deze in lange, vochtige slierten over de vlakte uit.
Maria huiverde.
- Het zal een koude nacht worden, dacht ze. Toen keek ze naar Jozef en zag zijn zware gang. Ze zag ook het gelaten kopknikken van de ezel. - Ze zullen nog vermoeider zijn dan ik, dacht ze. Weer keek ze de verte in. De nevel schoof nu op hen aan als een stil, geruisloos meer.
- We moesten nu rust kunnen nemen, Jozef, zei Maria.
De ezel hoorde haar woorden en stond meteen stil. Even draaide hij zijn kop naar de vrouw op zijn rug toe, toen liet hij hem weer hangen, de oren slap.
- Ja, zei Jozef, - rusten. Je zult moe zijn.
- Jij ook.
- Ik kan nog wel voort.
Jozef bukte zich en zette behoedzaam een zakje op de grond, dat hij over de schouder had gedragen. Toen zag hij, als tevoren Maria, uit over het land. - Rusten, ja, herhaalde hij zachtjes. Maar de grote baan naar Egypte liep verlaten de duisternis in.
- Hoeveel dagen nog? dacht hij, - hoeveel dagen? Hij had angst om Maria en het Kind.
- We zullen toch nog verder moeten, zei hij wat harder. - De nacht zal koud worden, vochtig en koud. Reeds tweemaal hebben we nu onder de blote hemel geslapen. Dat verdragen jullie niet meer, Maria, jij en het Kind.
- We zullen nog wel harder dingen moeten verdragen, dacht Maria, maar ze zei niets.
De nevel golfde nu om en over hen en ze huiverden. Uit de verte klonk plotseling het gehuil van een wild dier. Jozef schrok. Dat moest een wolf zijn. Hij zag Maria bezorgd aan. Moede glimlachte Maria tegen hem.
- Vrees niet, Jozef, zei ze. - De Heer beschermt het Kind. In Zijn hoede zijn we veilig.
Jozef knikte. - Ik weet het, zei hij zacht. Maar hij moest toch aan de beproevingen denken, die Simeon in de tempel had voorspeld, en aan het leed, dat om het Kind hun hart zou doorsnijden.
Hij bukte zich moeilijk, nam het zakje weer van de aarde op en legde het over zijn schouder.
- Kom, Grauwtje, zei hij.
Maar de ezel bleef staan en spitste de oren nu.
- Hij hoort wat, Jozef!
Maria richtte zich in de zadel op. Weer kwam om haar lippen de moede glimlach.
Enige ogenblikken luisterden ze beiden scherp toe. Kil schoof de nevel langs hen, doch ze bemerkten dit nu niet. Al hun aandacht was bij een zacht en regelmatig geklop, dat uit de verte tot hun doordrong: klip-klip-klip, klip-klip-kip.
Blij keken ze elkander aan.
- Dat zijn dorsvlegels, zei Jozef.
Waar die zijn, zullen ook wel mensen zijn, lacht Maria dankbaar.
- En een onderdak!
- Ja, een onderdak voor het Kind!
- En voor jou!
- En voor jou ook!
Weer zette Jozef de ezel aan. - Kom, Grauwtje!
Er klink iets zangerigs in zijn stem en de ezel stapte aan.
In de verte klok het zacht geklap van de vlegels.
- Een boerderij, Maria, een goed onderdak!
Maria knikte en keek glimlachend naar het Kind, dat rustig sliep in de omhulling van haar mantel.
Weer huilde de wolf in het bos en de nevel legde het vocht klam op hun kleren. Snel gingen ze voort langs de grote, wijde baan.
- Het geluid komt van rechts, Jozef! waarschuwde Maria na een poosje. Meteen echter wees Jozef reeds op een weggetje, dat zijwaarts in de nevel weggleed.
- Dat voert ons naar de boerderij, Maria, zei hij opgewekt. - Kom, Grauwtje, kom, mij beestje; ons allen wacht ginder verdiende rust.
Dankbaar keek hij op naar Maria. Die zat nu stil op de ezel, de ogen neergeslagen, het gelaat wit als een beeld.
- Maria, fluisterde Jozef zacht, - Maria.
Het geklop werd duidelijker. De ezel liep nu langs het kronkelende zijpad, sneller dan hij gedurende de driedaagse tocht ooit had gedaan. Jozef klopte hem liefkozend op de nek. - Best dier, best beestje! prees hij.
Klip-klip-klip, klip-klip-kip, gingen de vlegels lokkend in de verte. Het klink duidelijker nu. Ze naderden. Het was Jozef, alsof ze alle gevaar nu ontkomen waren, dat van de wreden koning Herodes dreigde. Toch wist hij wel, dat dit in werkelijkheid anders was.
Klip-klip-klip, klip-klip-kip.
- We naderen, Maria!
- God leidt ons, Jozef, terwille van het Kind.
- God leidt ons, ja.
- Wie op Hem vertrouwt, die vreest niet.
- Neen, die vreest in genen dele.
Boven de nevel rees donker tegen de nachtlucht het dak van een schuur of een huis. Kippen kokkelde zachtjes. Een ketting rammelde. Een hofhond begon heftig te blaffen.
- We zijn er, Jozef, wij en het Kind.
- We zijn er, Maria. Ho Grauwtje!
Ze stonden nu voor de boerderij. Jozef liet den ezel staan en liep op de deur toe. Maria keek hem zwijgend na. Stil zat ze met haar Kind in de schemering op den ezel. Haar hart sloeg rustig, deze nacht zou goed zijn, daar was ze zeker van.
Jozef klopte op de deur.
Niemand kwam echter. Een late vogel vloog flitsend tussen Jozef en Maria door. Ze hoorden zijn vleugels snorren. Toen verdween hij.
Weer klopte Jozef, luider nu.
Een vrouw verscheen op de drempel. Ze keek met oude, turende ogen. Ze keek met achterdocht. De hond in zijn hok blafte woedend. Ze deed hem zwijgen. Toen groette ze de vreemden en vroeg waarheen, waar vandaan. Jozef antwoordde, dat ze uit Bethlehem kwamen en op weg waren naar Egypteland, hij en de twee, die op de ezel reden: zijn vrouw en het Kind.
De vrouw sloeg de handen ineen van verbazing over zo'n verre reis. Toen liep ze snel weg om haar man te halen.
De boer kwam en staarde de reizigers enige ogenblikken zwijgend aan.
- Komt ge uit Bethlehem? vroeg hij toen aan Jozef.
- Ge zegt het, ga Jozef tot bescheid.
- En ge wilt heel naar het land van Egypte reizen?
- Ge zegt het, vriend. Dit is onze derde dag. Twee nachten sliepen we reeds onder de blote hemel. Ik zou vrezen voor vrouw en Kind, als dit nu weer geschieden moest. De nachten zijn koud, en de kilte der nevels dringt tot op het gebeente. Geef ons nachtverblijf in uw schuur, als het u belieft.
- Ge zijt welkom, antwoordde de boer. Dit is een zware tijd om te reizen. Treedt binnen.
- We zijn u dankbaar, zei Jozef.
Hij hielp Maria en het Kind van den ezel af, die daarna door een knecht naar de stal geleid werd. Allen gingen het huis in. In de kamer vlamde een verkwikkend vuur.

Ze aten tezamen. Daarna werd Jozef de beste plaats bij het vuur toegewezen terwijl de boerin de vermoeide Maria met het Kind naar de kamer bracht, waar ze ter ruste kon gaan.
- Ge zijt welbedankt, goede vriend, sprak Jozef tot den boer, terwijl hij zijn handen naar het vuur hield. - Ik loon het u gaarne.
Hij dacht aan het zakje, dat hij bij zich droeg, waarin hij de gaven van de drie Wijzen uit het oosten bewaarde. Deze gaven reikte voor veel. Ze waren hem een zekerheid op deze tocht, dat hij voor Maria en het Kind geen gaven om niet behoefde te nemen.
Doch de boer weigerde elk loon. Hij zei: Wij behandelen u, zoals we zelf gaarne behandeld willen worden, als het lot ons op reis dreef door vreemde streken.
- Dan lone God u uw gastvrijheid, zei Jozef.
De boer boog even het hoofd onder deze wens des heils. Ze zaten daarna enige tijd zwijgend in het vuur te staren.
- Uw vrouw ziet er zeer vermoeid uit, begon toen de oude boer. - Ge moest haar een ganse dag rust gunnen en hier twee nachten blijven.
Jozef dacht even na.
- Ze is wel zeer vermoeid, ga hij toen toe. - De dagen waren moeilijk. We hadden haast om voorwaarts te komen. En de nachten in het open veld brachten niet genoegzaam rust.
- Dan blijft ge dus een dag.
- Het bezwaart me. Twee eters meer, da telt mee in deze moeilijke tijd. De boer lachte. - Waar eten is voor zes, daar is ook eten voor acht. En het kind eet nog van de moeder kostelijke spijze, zei hij.
Weer zaten ze geruime tijd zwijgend bij elkaar. De vrouw kwam bij hen zitten. De boer wierp nog wat houtblokken op het vuur, waar de vlammen dadelijk gretig omheen sloegen, knetterend wapperden gele tongen naar de schouw omhoog. Jozef vroeg nu den boer, hoe het stond met zijn winterkoren.
De boer keek hem verbaasd aan en vroeg, of hij dit dan niet gezien had.
- Ge kwaamt dwars door mijn akkers, vreemdeling. Hebt ge geen koren gezien?
Jozef schudden het hoofd. - De nevel lag over alles, zei hij, en de nacht viel vroeg, te vroeg deze keer. Uw akkers ontgingen ons. We moesten ons best doen de weg te houden. Het geklepper van uw dorstvlegels leidde ons. Anders zouden we deze zijweg niet genomen en uw woning niet gevonden hebben. Duid het ons niet euvel, dat uw koren onze aandacht niet had. De boer keek Jozef lang aan. Even was het, of een schaduw over zijn gezicht gleed; toen klaarde het echter weer op. Zacht en innemend lachte hij.
Verontschuldig u niet, vreemdeling, zei hij. - Ge hebt ons koren niet kunnen zien. Want het zaad, dat we uitstrooiden, is met doodsheid geslagen. Het ontkiemt niet. Uw weg leidde door kale akkers heen. Er dreigt een slechte oogst het komende jaar.
- En ge voedt ons toch? vroeg Jozef verontrust.
De boer trok even met de schouders.
- Men geeft, zolang men heeft, zei hij eenvoudig.
Jozef schrok en zette zich recht. - We mogen uw goedheid niet misbruiken, sprak hij. - Morgen reizen we verder over de grote baan. God zal ons kracht geven en geleiden.
- Ge wilt over de grote baan verder? vroeg de boer.
- Morgen, ja, antwoordde met stelligheid, Jozef.
De boer schudden het hoofd. - Dan gaat ge mis, wees hij Jozef terecht.
Jozef keek hem verwonderd aan.
- De grote baan kunt ge in de zomer nemen, lichtte de boer toe. - In de winter gaat dat niet. De grote baan loopt verderop door een diep dal, waar 's winters het water voeten hoog staat.
- Ja, viel de boerin haar man bij, - onbegaanbaar is 's winters de grote baan. Dan moet men deze zijweg nemen.
- Voert deze zijweg ook naar Egypte toe? vroeg Jozef. In zijn stem klonk twijfel.
- Zeker bevestigde zijn gastheer. - Dit is de enige weg, die men in de winter kan gebruiken.
- Zo....zo..., kwam Jozef nadenkend. Hij staarde lang in het vuur. Zorg trok over zijn gelaat. Eindelijk wendde hij het hoofd weer naar den boer toe. - Zoudt ge denken, vroeg hij, - dat de soldaten van Herodes, den koning, dit weten?
De boer haalde de schouders op.
- Misschien wel, misschien niet, antwoordde hij langzaam. - Men ziet hier in de winter zelden iemand van 's konings hier.
Het scheen, dat hij nog wat wilde zeggen, maar hij aarzelde. Zijn blik ging vorsend langs Jozefs gestalte. Toen staarde hij voor zich uit en de stilte was er weer. De ogen van de boerin echter waren vol onrust.
- Soms komen hier toch wel soldaten langs, die de grens moeten bewaken, zei ze na een poos. - Maar, vreemdeling, waarom vroegt ge naar hen?
Jozef knikte. - Ik verwachtte deze vraag sprak hij, - en om uw gastvrijheid hebt ge recht op een antwoord. Ik vroeg naar de soldaten van Herodes, omdat de koning sinds enige dagen laat zoeken naar het Kind, dat thans rust vond in uw woning. Herodes wil, dat het niet leven zal. De boer sprong ontsteld op, de vrouw slaakte een zachte kreet.
- Vreemdeling!
Zwaar legde de boer zijn had op Jozefs schouder. Er lag angst in zijn blik.
- Vreemdeling, brengt ge ongeluk over ons huis?
Jozef schudde het hoofd en glimlachte.
- Verontrust u niet, vrienden, sprak hij. - Geluk breng ik u. Dit Kind... eens zult ge er alles van weten. Er was engelenzang, toen het geboren werd. In het Oosten zagen Wijzen Zijn ster aan de hemel, ze volgden die en vonden Het en begroetten Het. Als een koning begroetten ze den jonggeborene. Ere zij God in den Hoge, zong een engelenstem, vrede op aarde voor de mensen van goeden wille.
- Een koningskind is het? vroeg de vrouw ontroerd.
- Ge zegt het, antwoordde Jozef.
- Een koning des Vredes? vroeg de boer.
- Ge zegt het, antwoordde Jozef.
- Het had zo'n lief stil gezichtje, prees de boerin.
Ik kan er mij niet op bezinnen, zei de boer bijna fluisterend, - dat ik ooit een kind zag, dat mij zo blij van binnen maakte.
- De ezel boog, toen de vrouw met het Kind naar binnen ging, zei de boerin. - Ik weet zeker, dat ik het goed gezien heb.
- Er gebeuren grote dingen, sprak de boer, starend in het vuur, - grote dingen. Ere zij God in den Hoge.
Na luttel tijds rezen ze nu voor de nacht.
- Morgen, zei Jozef, - trekken we verder. Ge zult nu wel begrijpen, dat we hier niet langer blijven mogen.

De volgende dag rees blank boven het Palestijnse land. Wolkeloos blauw was de hemel. De rijp op de velden schitterde in de vroege zon. De boer bracht de ezel. Jozef hielp Maria met het Kind erop. Alle mensen uit de boerderij stonden bij hen. De boer wees Jozef op het land rondom. Kaal en hard lagen de akkers.
- Het is een ramp, zei hij spijtig, - een ramp.
Toen bedwong hij zich en name hartelijk afscheid.
Maria drukte het Kind aan haar borst. - God zegene u voor uw gastvrijheid, vrienden, zei ze. - We danken u, ook voor het Kind.
- Gods vrede zij met u, kwam het antwoord.
Toen traden de mensen terug.
Voor het laatst sprak Jozef den boer toe. - Uw akkers, zei hij, - uw akkers doen mij leed. Rest u nog zaad van het winterkoren?
De boer knikte. - Jawel, maar God sloeg het met een doodsheid. Het zal niet baten, als we het zaaien vreemdeling.
- Het baat, vriend! Zaai het, zaai het!
Er lag zo'n warme, vaste klank in Jozefs stem en op zijn gelaat straalde zo'n wondere glimlach, en de vrouw op den ezel zat daar zo heilig en stil dat het alle mensen ontroerde.
- Zaai het! sprak Jozef nogmaals. - Zaai het deze morgen nog. Zaai het van de grote baan tot uw woning. zaai het van uw woning tot het bos, zaai het van akker tot akker, zaai het op alle paden en bermen, zaai het ook op de binnenweg, overal, en spoedig! Tijgt allen aan de arbeid. Te middag, als de zon op haar hoogst staan, zult ge begrijpen, waarom ik dit zeg. Hebt dank en vaartwel, goede vrienden.
- Vort, Grauwtje, sprak Jozef, en de ezel stapte aan.
- Vaartwel, goede vreemdelingen, hoorden ze den boer nog. - We zullen het doen, zo ge zegt. De vrede zij met u in het land van Egypte.

Men zaaide het koren dezelfde morgen nog. Vele handen strooiden de zaden. Van akker tot akker zaaiden ze het, van de grote baan tot aan de woning, van de woning tot het bos, overal zaaiden ze het, op alle paden en bermen, ook op de binnenweg zaaiden ze het, zoals hun gezegd was.
En het wonder geschiedde. Achter hun schreden sproten de groene scheuten op; de akkers kleurden zich achter hun schreden. Leven sproot uit de doodse kaalheid op, overal, overal. En toen de zon te middag op haar hoogst was gerezen, stond het winterkoren van den boer schoner en weliger gewassen dan al het andere in verre omtrek, een groene vlakte lag vol belofte rondom de gastvrije woning, die het Kind geherbergd had.

En te middag kwamen langs de grote, wijde baan de soldaten van de wreden Herodes gereden. Ze jaagden op het Kind als de wolven op hun prooi. Er waren grenssoldaten bij, die deze streek goed kenden. Ze zaten de vluchtelingen dicht op de hielen, dat wisten ze. Nog korte tijd en dan hadden ze het Kind. Ha, de beloning van de groten koning Herodes zou hun zakken vullen!
Ze hielden halt bij de plek, waar kort tevoren nog de zijweg was.
- Hier moeten we rechts afslaan, meldde er een den hoofdman.
Deze echter lachte hem ruw uit.
- Dwars door het koren, hondsvot? vroeg hij spottend.
- Ja, Heer, zo moeten ze zijn gegaan. Hier was de winterweg naar Egypteland, ik weet het zeker.
- Dwars door het koren, hondsvot? Hier zouden ze zijn gegaan? Dwars door het koren, recht op het huis van den boer aan? Om daar door de honden verscheurd te worden? Welke boer duldt, dat men spoorloopt door zijn graan? Niet een! Weet jij dat niet, stadszwijn? Er is een spoor? Zie jij iets? Zie ik iets? Voorwaarts, mannen, verder over de grote baan! we vangen deze buit wel! Nog korte stonden en koning Herodes loont ons! Mannen, voorwaarts!
De zon scheen, een windje woei, het winterkoren golfde. Suisde er zacht een geheim door de jonge, frisse scheuten? Het winterkoren golfde, de boerderij lag er middenin, het wonderkoren golfde van de grote baan tot aan het bos. Aan de andere zijde van dit bos liep een smalle binnenweg ver door de wijde landen, naar het verre Egypteland. Er stonden die middag verse sporen van ezelshoeven in en van een paar zware mannenvoeten.

Beschrijving

Jozef, Maria en het Kind zijn onderweg naar Egypte, maar ze zijn al drie dagen geen mensen tegengekomen en ze zijn moe. De nacht belooft koud te worden. Dan komt er een nevel opzetten en horen Jozef en Maria het geklepper van een dorsvlegel. Dat leidt het paar naar een boerderij waar de boer en boerin hun onderdak verlenen.
In een gesprek komt naar boven wie Jozef en Maria zijn en dat de soldaten van Herodes hen achtervolgen. Na enige aarzeling vertelt de boer dat grenssoldaten regelmatig de boerderij passeren. Jozef besluit de volgende dag weer te vertrekken. Tijdens het gesprek komt ook naar boven dat de oogst van de boer mislukt is omdat het zaad niet ontkiemt. Als Jozef en Maria op het punt staan te vertrekken vertelt hij de boer dat hij het dode zaad overal moet zaaien, over de akkers, paden en wegen en vertrekt dan. De boer doet dit en voor het middaguur staat er koren over het hele gebied. Dit voorkomt dat de soldaten Jozef, Maria en het Kind vinden.

Bron

Bruijn, Cor. Nederlandse sagen. Amsterdam, 1946. p 96-105.

Naam Overig in Tekst

Jozef    Jozef   

Maria    Maria   

Palestijnse    Palestijnse   

Heer    Heer   

God    God   

Herodes    Herodes   

Grauwtje    Grauwtje   

Simeon    Simeon   

Kind    Kind   

Naam Locatie in Tekst

Oosten    Oosten   

Egypte    Egypte   

Bethlehem    Bethlehem   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20