Hoofdtekst
Wat al geheimen bergt de heide van Brabant in haar donkeren schoot! Ze ligt daar nog op vele plaatsen in maagdelijke ongereptheid, in den sluimer der eeuwen, zooals de oude Taxanderen en Saliërs ze gekend moeten hebben. Over haar heuvelige golvingen woekert het warrige, kroezige kruid; de goudbetroste bremstruik overbloeit haar schrale zanden; in de glimmende spiegels der vennen weerkaatsen de oneindige luchten; in de zompige moerassen nestelt de reiger tusschen riet en biezen en de roerdomp roept den verdwaalden wandelaar met klagend, maar verraderlijk geluid. Ze werd ontgonnen in den loop der eeuwen, maar waar de ruwelegerbende den rustigen landman verdreef vervielen de hoeven, keerden de akkers, jaren en jaren verlaten, weer terug in den woesten oertoestand, en de eeuwigbloeiende natuur omkleedde ze met het paarse heigewas, dat de plek onherkenbaar was, waar eens de blanke spade in den dorren bodem stak.
Hoe vaak heeft de grond der heide niet gedreund onder de hoeven der aanstormende rossen, als de ruiters op strooptocht en ter plundering uittogen! Zoo die Geldersche Duivels onder Meerten van Rossum, die Oisterwijk en Alphen verbrandden en schrik en angst verspreidden in alle dorpen van 't Kempenland. Zoo Maurits Staatsche ruiters, die in den stillen winteravond de besneeuwde heide bij Turnhout, in enkele uren in een slagveld herschapen, met geweldig krijgsgeschreeuw vervulden. Zoo Spinolas huurlingen, die Bergen belegerden en de verarmde boeren in 't Markiezaat uitschudden, dat nog jaren lang, dagreizen ver, de velden braak lagen. Dan waardde de furie van den krijg over de vredige heide, dan huisde de schrik in den harten, dan begroef de eenzaamwonende dorper zijn zuur-bijeengegaarde penningen in den koperen of ijzeren pot, op een afgelegen plek aan den rand der heide.
Was er iets veilig voor de roofzucht der vreemde soldaten? Waren de lansknechten niet van ouder tot ouder als baarlijke duivels bekend? En de heide bewaarde den schat tot er rustiger tijden aanbraken. Dan nam de teruggekeerde bewoner weer bezit van zijn vaderlijk erf en de wijde heide lag weer als immer, als een door hartstocht onberoerde menschenziel, in de ononderbroken stilte, die haar gemeenzaam is. Doch en nu dan was de heide getuige van donkere misdaad, van aanranding en moord. De herinnering van 't volk hield het verhaal van dit somber gebeuren levend en gaf 't over aan het nageslacht. De sage omzweeft vele plaatsen der Brabantsche heide, en in haar droomenwaas doemen gestalten op uit lang vergane tijden. Ik wil u hier de sage vertellen van den brandenden scheper van Strijbeek.
De hitte daverde. Over de heide van Strijbeek hing een gloeiende wasem. Zoover het oog reikte deinde de vlakte geel-bruin, door 't jonge spruitende kruid, groening aankleurend, naar den horizon, die verneveld lag in de zonnemist. Ward, de schaapherder, lag lui geleund tegen een mager denneboompje met overbuigende takken. Zijn frak lag opgerold naast hem, bij zijn herderschop en 'n ruwe kous. De roode hemdrok was bij den hals wijd losgeknoopt. Vóór hem dromden de schapen bijeen, rukten aan 't kruid met knappend gerucht, maar vele lagen neergevlijd, herkauwend en rustend. De ruige wolfshond, zwart met felle groene oogen, stond daar droomerig en werkeloos. Ward, de scheper, was niet zeer in tel bij de boeren. Ze vermeden hem, waar ze konden. Er was reden voor. Hij hebzuchtig en gierig als de dood. Zijn dunne bloedlooze lippen klemden strak opeen; de oogen, diep gedoken onder 't uitspringende beenige voorhoofd, loerden altijd met een kouden glans, als van staal. Met mocht Ward niet lijden. Hij was niet als de andere schaapherders; hij hield niet van praten. Zijn norsch gesloten mond scheen een drukkend geheim te verbergen. Men zag hem zelden in 't schemerdonker bij 't knappende plaggenvuur. Ward dacht slechts aan geld! Hij droeg zijn spaarduit op de bloote borst in een leeren buideltje. Hoe vaak was hij des nachts niet opgestaan , stil op zijn stalkamertje, en had hij met spiedende oogen rondgekeken of niemand hem beloeren kon. Maar in de staldiepte rinkelde slechts een halsketting of meumelde zuchtend een koe, en als alles veilig was, had hij 't geld voor den dag gehaald, en telde dan in 't blauwige maanlicht, aaiend en voorzichtig, bevoelend de muntstukken, blanke dukatons en gouden Carolusguldens. Ward was een gierigaard; het geld was zijn levenshartstocht; de hebzucht hield zijn hart onontkoombaar gevangen; 't verlangen naar 't goud schroeide als een gloeidende keten om z'n ziel.
Op dezen namiddag overpeinsde de scheper liggende op de Strijbeekse heide, de gestage vermeerdering van zijn zoeten rijkdom. Voor hem kronkelde de zandige baan door de vlakte, de oude Turnhoutsche Baan, die de hoofdstad der Baronie met de hoofdstad der Vrijheid verbond. Heel in de verte straalden de torentjes van Galder en Ulvenhout blank wit in de zon. Ward tuurde voor zich uit in de verte; zonneschitters sperkelden als de naaldentakjes der schaarsche dennenstruikjes even bewogen. Een ruiter naderde over den witten zandweg. 'Koest, Wolf' beval de scheper met een barschen vloek tot den hond, die hem gewaar was geworden. Hij loerde strak naar den vreemdeling. Het was geen landsman; hij zag het aan den weidschen zwier zijner kleeding, den donkeren opslag van zijn oog, die zwarte vonken schenen onder den breedgeranden ruitershoed. Ward begreep al. 't Was weer een Spaansche koerier, die berichten of geld bracht voor Spinola, die Breda genomen had. De sinjoren uit Turnhout zonden geregeld brieven, stonden op goeden voet met het garnizoen der zusterstad. 't Ros, reeds moe en bezweet, brieschte; daar werd het door den ruiter in galop gezet, dat 't zand hoog opregende.
Plost zag Ward, hoe een tasch losraakte van den zadelriem en neerviel. Zwart vlekte ze op het gele zand van de baan. De haastige ruiter had niets van het verlies gemerkt. Als een kat zoo vlug, omzichtig, behendig, was de scheper al toegeslopen en greep de tasch. Zijn hart popelde, bonsde in zijn borst. Hij wilde 't uitschreeuwen, want met één oogopslag had hij het bemerkt, deze tasch bevatte geld, - och, dat heerlijke geld - gerande rijders, goudstukken, hoeveel, hij wist het niet, onmeetbaar was de schat, die hij op eenmaal bekomen had. De gierige scheper kende geen eerlijkheid 'Die Spanjool zal lang kunnen zoeken, eer hij hem terug vindt. Die buit is mijn. Nu valt 't geluk op mij eenmaal te beurt. Ik zal dit geld wel begraven, dat geen sterveling het vindt'.
Ward was zich zelf niet meer: zijn oogen brandden in felle begeerte. Hij legde het geld onder zijn frak, schopte Wolf weg, die snuffelend naderbij wou komen. Sakkerdoeme, wat was dat? Ward vloekte als een bezetene.
Zie! Zie! Zie dan toch! Die vervloekte Spanjool kwam teruggerend, spoorslags, als een razende! Hij heeft het verlies bemerkt! Ward bukte zich, wil doen als een onnoozele schaapherder, die ter wereld van geen kwaad weet. Maar inwendig woelt het. De Spanjool, bruingebronsd van gelaat, nu met een trek van gejaagdheid, is al van het paard gesprongen. - 'Scheper, mijn tasch is losgeraakt van de zadelgesp. Hebt ge niets gezien, misschien?' Zoo klinkt het met vreemde tongval in gebrekkig Brabantsch. - 'Neen Sonjoor!' zegt de scheper hoofdschuddend. - 'Heelemaal niets?' vorscht de ruiter. 'Het is toch hier gebeurd in de heide'. - 'Ik mag eeuwig branden als ik iets gevonden heb! Zoo waar als God leeft' getuigt de scheper. Hij heeft de hand opgeheven om de waarheid te bezweren. - 'Gij liegt!' schreeuwt de Spanjaard en zijn blikken priemen diep, doordringend in de oogen van Ward, den scheper. Toen geveurde het. Het was de scheper niet meer die daar stond, dit moest de Satan zelve geweest zijn. Als een tijger, lenig en ras, was Ward den Spanjaard naar de keel gesprongen. Zijn taaie, pezige vingers nepen en klemden als straffe ijzeren klampen. De Spanjool waggelde door den schok. Zijn gezicht verbleekte, werd rood, dan blauwig. Als koorden zwollen de aderen op zijn voorhoofd. Ging hij schreien? Ging hij lachen? Verwrongen krampten zijn trekken onder den klemmenden greep van den woedenden scheper. Zooals de tijger op zijn prooi, hing Ward op zijn slachtoffer, dat tuimelend neerviel. Dof bonsden ze beiden in 't zand. Dan was de Dood gekomen. De handen van den Spanjaard maakten zwakke, kinderlijke bewegingen, dan werd het stiller; hij rilde; met wijd open oogen lag hij nu te staren in de zon. Hij was dood. Ward liet hem los. Nu de moord geschied was, kwam de scheper tot het besef der misdaad. Wee! Wee! Het bloed bruisde hem door de hersens, daar kwamen vlammen op hem af, de heide stond in brand, uit den zonnekrater sloegen sissende en sijfelende vuurtongen, die hem loeiend omgolfden. Hij stond in een poel van vuur.
Wee! Wee! Hij brandde, hij brandde, van binnen en van buiten... Hij brandde in duizenden vlammen: de hel... de hel...
Sinds vertooont zich van tijd tot tijd de brandende scheper op de Strijbeeksche heide. In gure Novemberavonden gaat hij om, en meent men zijn kreet te hooren: de kreet van een gefolterde ziel, kreunend in hellepijnen. Wee hem!
Onderwerp
SINSAG 0220 - Andere Begegnungen mit dem Feuermann
  
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Taxanderen   
Saliërs   
Gelders   
Meerten van Rossum   
Maurits   
Strijbeek   
Ward   
Carolusgulden   
Turnhoutsche Baan   
Galder   
Spaans   
Spanjool   
Spanjaard   
Satan   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Oisterwijk   
Alphen   
Kempenland   
Spinola   
Bergen   
Ulvenhout   
Wolf   
Spanje   
Breda   
