Hoofdtekst
Dit is van Sint Aelbert, dan nederigen landman, die als een Brabantsche Isidorus gedurende z'n aardse leven zonder gerucht te verwekken, in den vrede en de rust des harten, getrouw z'n plicht vervulde.
Vóór de troebele dagen der Reformatie was de devotie tot dezen stillen Heilige der Brabantsche heide wijd vermaard, maar bloeide vooral fleurig en schoon te Oosterhout waar hij leefde en stierf.
De Augustusavond daalde als een milde zegening over de akkerlanden. Achter de zwarte mastbosschen zonk de zomerzon, de wolken met purper bevloeiend, als welde er bloed uit een open wonde. In de eenzaamheid der landbouw ploegde Aelbert op het veld. Rondom stond op de nabije kampen, het kostelijk voedende koren, zwaar geladen, in schooven gebonden. Zij stonden er in de gele schemering als gouden trofeeën, die getuigden van brave arbeidzaamheid. Aelbert leidde de witte ossen, die den ploeg trokken, langzaam en geduldig, met regelmatig bewegen der pooten, en bedaard gestadig stappend over den dorren stoppelgrond. Hun groote, ronde, fluweelzachte oogen staarden droomend in den avond, zooals de dieren doen, die in de onbestemde verschieten méér bemerken dan kortzichtige menschen vermoeden.
Hij was krachtig en forsch van lichaamsbouw, de jonge ploeger, die zijn twee ossen aanmoedigde met lokkend stemgeluid en met 'n bebladerde elzentak de breede ruggen streelde. Aartsvaderlijk was het tooneel; 't leek of Jacob uit het testamentisch verhaal het land van zijn vader bebouwde.
Traagzaam, goedaardig, trokken de ossen, tot ze kwamen aan het einde van den akker, nabij den begroeiden greppelkant en daar wendden ze zich zonder vermaan, van zelven om, en begonnen gewillig den terugweg in matigen gang.
Eenvoudig en nederig was het dagelijksch werk van Aelbert, eenvoudig en nederig was de ziel van dezen man. De trekken van zijn gelaat waren kinderlijk en zacht; z'n wat schuwe oogen duiden op een ingetogen in-zich-gekeerd leven, zooals bij veel vrome, landsche menschen. Het rumoer van het groote leven kende hij niet. De wereld lag ver achter den zwaren wal der beboschte heuvels langs den horizon, maar over zijn akkerlanden straalde de blauw-gouedn zonnnehemel, als Gods eeuwige glimlach. Slechts even vermoedde Aelbert die wereld, als hij door woud en struweel de edele jagers rennen zag, in hun zwierige kleedij op de vurige paarden gezeten; als het geblaf der brakken en het getuit van de jachthoorn weerklonk in de Oosterhoutsche bosschen; of als de jonkvrouwen op rijkgetuigde hakkeneien ter valkenjacht uittogen naar de wijde heide.
Aelbert was opgegroeid in eenzaamheid en Gods zoete vriendschap was zijn grootste rijkdom. Dichtbij zijn akker stond een kleine kapel, waar 't landvolk vaak neerknielen kwam. Het dak was laag en met stroo gedekt, klein waren de venstergaten in den bemosten muur. Maar de kapel bevatte een kostbaren, diep vereerden schat. Daar stond het houten beeld van St. Johannes-den-Boetgezant. Hij stond daar, het ruige kleed van kemelshaar om de lendenen, den knoestigen herdersstaf in de hand, de andere hand in majestatisch profetengebaar naar den hemel geheven. Voor dit beeld kwam de vrome Aelbert vaak neerknielen en bad er zijn eenvoudige gebeden.
De dag was zwaar en vermoeiend geweest. En Aelbert houdt op met ploegen, geeft z'n ossen een armvol hooi en legt zich neer onder de afhangende elzestruiken aan den rand van den akker om een oogenblik te rusten. Maar niet lang duurt het of hij sluimert in, rustig en kalm, zooals alleen rechtvaardigen sluimeren. Leefde z'n geest reeds in Gods zalige hemelvreugde? Hij, die in dit aarsche leven niet meer ontwaken zou?
Daar is een overval en een moord gebeurd in de Oosterhoutsche bosschen!
Baanstroopers hebben in de Vrijheid hun slag geslagen en een weerloozen kramer gedood en uitgeschud, die in den morgen z'n toch langs de afgelegen baan wilde voortzetten. Maar ze zijn betrapt bij hun schelmstuk, de vervolgers jagen hen op, zitten hen al uren op de hielen... de twee roovers vluchten, springend over sloot en greppel, rennen in vliegende haast over de akkers, door het nog te velde staand koren. Zullen ze ontkomen? Daar bemerken ze den rustig slapende Aelbert. Dan flitst er een gedachte door 't brein van een der schelmen. Waar schrikt de mensch voor terug als de brandende begeerte naar 't goud hem prikkelt? Hij nadert behoedzaam den zalige Aelbert, ziet hem aan met wilden haat in de bloeddoorschoten oogen. Dan wenkt hij zijn makker. Voorzichtig leggen ze het met bloed bevlekte dolkmes bij hem neer, en den leeren reiszak, waaruit ze 't geld genomen hebben. Het volgend oogenblik zijn ze in het kreupelhout verdwenen.
Aelbert sluimert rustig voort. De grauwe schemering komt al zachtjes legeren over 't doomig veld. Maar de vervolgers naderen. Met zessen, met achten! Eén van hen is allen voor. Hij stormt over den weg, springt over den greppel, komt op Aelberts akkerland. Moeten de baanstroopers niet in 't gindsche kreupelbosch hun weg gezocht hebben...? Even staat hij besluiteloos en schouwt speurend rond. Dan ziet hij Aelbert, ijlt naar hem toe. Het blinkende zwaard heeft hij in de hand; 't is een man met driftige, hartstochtelijke bewegingen. Hij bukt zich, staart op den grond, ziet den bebloeden dolk, die in 't gras naast Aelbert ligt; ziet de reistasch onder de elzentakken; hij denkt niet meer, - heeft hij die schurk van een roover niet gezocht den heelen, langen, warmen dag? De brandende vloedgolf van een felle woede stijgt bedwelmend naar zijn hersenen. Hij heft 't zwaard, met een demonische kracht daalt het neer... De anderen snellen toe over den akker, te laat. Aelberts onschuldig hoofd rolt neer, met één slag van 't lichaam gescheiden, terwijl het bloed 't gras besproeit... Doch, o wonder! Ontzetting doet de dader en de omstanders verstarren.
Daar komt plots weer beweging in den neerliggenden romp... Hij staat op, neemt het neergevallen hoofd in beide handen, draagt het een tiental meters verder over het akkerveld en legt het daar neer bij de deur van St. Johannes' kapel.
Aelberts onschuld is door den Hemel bewezen. Hij legde z'n afgehouwen hoofd bij den Heilige, die gelijk hij, den eenvoud betrachtte, en wien, om z'n verheven voorbeeld van een rechtvaardigen levenswandel, 't hoofd werd afgeslagen.
Als 't lichaam nu roerloos neerligt, en de omstanders eerbiedig naderkomen, begrijpen ze, dat de Hemel een martelaar rijker is. En het toegestroomde landvolk draagt de faam van 't wondervol gebeuren uren ver in den omtrek voort. Z'n begrafenis wordt een zegetocht. Men komt bidden op z'n graf, de vereering neemt toe.
De legende weet verder te verhalen, dat de curiteit der parochie besloot een nieuwe, grootere kerk te bouwen.
En zie nu, hoe de witte ossen van Aelbert zonder voerman den weg kennen en de vrachten en de benodigdheden willig aanvoeren, de balken, de steenen, de aarde, alles wat nodig is voor den bouw der nieuwe en groote kerk.
Het lichaam van Aelbert bleef eeuwenlang in Oosterhout rusten en al dien tijd was hij er de tweede patroon der kerk. Zijn feest werd op den 22sten October gevierd.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Sint Aelbert   
Brabantsche   
Brabantse   
Isidorus   
Reformatie   
Jacob   
God   
St. Johannes-den-Boetgezant   
St. Johannes   
Oosterhoutsche   
Vrijheid   
Naam Locatie in Tekst
Oosterhout   
Hemel   
