Hoofdtekst
De Schoorsteenveger en de papegaai
Een juffrouw had haar meid geklaagd,
Als dat haar schouwtje moest zijn gevaagd
Zij sprak: "Ach Petronel,
Voldoe aan mijn bevel,
Wil den schoorsteenveger halen.
Spoed u wat gauw,"
Sprak de juffrouw,
"Ik zal hem daarvoor betalen,
Voor het vegen van mijn schouw."
Als nu het spel beginnen zou,
Van den schoorsteenveger met de juffrouw,
Daar werd hem op salet
Van alles voorgezet;
want daar moest niets ontbreken,
Wijn en bier,
Zoo goed als hier,
Want hij moest met de juffrouw spreken,
Voor een kort maar goed pleizier.
Mijnheer die klopte aan de poort,
De juffrouw had zijn stem gehoord.
Zij sprak: "Ach, spoed u maar gauw
En kruip maar in de schouw
Mijnheer zal ons betrappen;
Hij staat veur,
Vlak aan de deur,
Wie wil zulk een schand beleven?
Want hij brengt ons in't malheur."
De meid opent de deur al met een zet,
Mijnheer kwam binnen voor 't salet
Daar vond hij zijn vrouwtje aangedaan
En sprak: "Wat is hier omgegaan?"
Maar papegaai was zoo blij
en het eerste wat hij zei:
"Mijnheer, wat rare zaken,
Die ik zag,
Dezen dag,
'k Zal 't u kenbaar te maken,
Als mijnheer 't maar weten mag."
"Ach papegaaitje, zwijg toch niet!
Wat is er in mijn huis geschiedt?"
"Een groote zwarte vent,
Hij was mij onbekend,
Zoodra de deur ging open,
Sprong hij net
Van het bed;
Hij is in de schouw gekropen,
Want ik heb er op gelet."
Mijnheer sprak 't papegaaitje aan
"Wat hebben ze op mijn bed gedaan?"
"Zij schoven toe het gordijn,
Maar ik kon niet zien, want 't was maneschijn,
En ik loerde nog wat opzij
En och, de juffrouw, zij was zoo blij.
Ook heb ik nog vernomen
Toen ik zat
Plat op mijn gat,
Is hij in de schouw gekropen,
Hing hem de broek nog op zijn gat."
De schoorsteenveger werd benauwd,
En liet zich vallen uit de schouw;
En daar hij geen tijd meer had,
Hing hem de broek nog op zijn gat;
Ze hebben hem geslagen
Rug en gat,
Blauw en plat
Al die zulke kansjes wagen,
Die verdienen ook wel wat.
Dit is een lied in 't algemeen
Voor hen, die zulke juffers zijn,
Maar komt het u in den zin,
Door het streelen van de min,
Vertrouw geen papegaaien,
Die u verjaagt
en u verklaagt
Wie wil zulk een schand beleven?
Als er uw schouwtje moet zijn gevaagd.
(Met hooge stem gezongen, op een wijs, die lijkt op de Carmagnole;
Nog 1870-80 gezongen te Groningen; medeg. door Dr. W. Zuidema)
Een juffrouw had haar meid geklaagd,
Als dat haar schouwtje moest zijn gevaagd
Zij sprak: "Ach Petronel,
Voldoe aan mijn bevel,
Wil den schoorsteenveger halen.
Spoed u wat gauw,"
Sprak de juffrouw,
"Ik zal hem daarvoor betalen,
Voor het vegen van mijn schouw."
Als nu het spel beginnen zou,
Van den schoorsteenveger met de juffrouw,
Daar werd hem op salet
Van alles voorgezet;
want daar moest niets ontbreken,
Wijn en bier,
Zoo goed als hier,
Want hij moest met de juffrouw spreken,
Voor een kort maar goed pleizier.
Mijnheer die klopte aan de poort,
De juffrouw had zijn stem gehoord.
Zij sprak: "Ach, spoed u maar gauw
En kruip maar in de schouw
Mijnheer zal ons betrappen;
Hij staat veur,
Vlak aan de deur,
Wie wil zulk een schand beleven?
Want hij brengt ons in't malheur."
De meid opent de deur al met een zet,
Mijnheer kwam binnen voor 't salet
Daar vond hij zijn vrouwtje aangedaan
En sprak: "Wat is hier omgegaan?"
Maar papegaai was zoo blij
en het eerste wat hij zei:
"Mijnheer, wat rare zaken,
Die ik zag,
Dezen dag,
'k Zal 't u kenbaar te maken,
Als mijnheer 't maar weten mag."
"Ach papegaaitje, zwijg toch niet!
Wat is er in mijn huis geschiedt?"
"Een groote zwarte vent,
Hij was mij onbekend,
Zoodra de deur ging open,
Sprong hij net
Van het bed;
Hij is in de schouw gekropen,
Want ik heb er op gelet."
Mijnheer sprak 't papegaaitje aan
"Wat hebben ze op mijn bed gedaan?"
"Zij schoven toe het gordijn,
Maar ik kon niet zien, want 't was maneschijn,
En ik loerde nog wat opzij
En och, de juffrouw, zij was zoo blij.
Ook heb ik nog vernomen
Toen ik zat
Plat op mijn gat,
Is hij in de schouw gekropen,
Hing hem de broek nog op zijn gat."
De schoorsteenveger werd benauwd,
En liet zich vallen uit de schouw;
En daar hij geen tijd meer had,
Hing hem de broek nog op zijn gat;
Ze hebben hem geslagen
Rug en gat,
Blauw en plat
Al die zulke kansjes wagen,
Die verdienen ook wel wat.
Dit is een lied in 't algemeen
Voor hen, die zulke juffers zijn,
Maar komt het u in den zin,
Door het streelen van de min,
Vertrouw geen papegaaien,
Die u verjaagt
en u verklaagt
Wie wil zulk een schand beleven?
Als er uw schouwtje moet zijn gevaagd.
(Met hooge stem gezongen, op een wijs, die lijkt op de Carmagnole;
Nog 1870-80 gezongen te Groningen; medeg. door Dr. W. Zuidema)
Onderwerp
AT 0243 - The Parrot Pretends to be God   
ATU 1422 - Parrot Reports Wife’s Adultery   
Beschrijving
Een juffrouw laat de schoorsteenveger komen en onthaalt hem op allerlei lekkers. Dan komt haar man thuis en de schoorsteenveger moet zich snel verstoppen in de schouw. De man vraagt wat er is en de papegaai verklapt het overspel met de man in de schouw. Deze laat zich vallen en wordt afgeranseld.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
begin 20e eeuw
De Carmagnole is een Frans revolutionair lied, waarin onder meer de regel voorkomt: 'Dansons la Carmagnole, Vive le son du canon.'
salet = ontvangkamer, mooie kamer, salon
salet = ontvangkamer, mooie kamer, salon
The Parrot Pretends to be God
Naam Overig in Tekst
Petronel   
DR. W. Zuidema   
Carmagnole   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
