Hoofdtekst
Domme Hans
In zeker dorp woonden eertijds veel rijke boeren, en onder hen was maar één enkele arme landbouwer, die een heel klein lapje grond bezat, van welks opbrengst hij met zijn grootmoeder leefde. De rijke boeren dreven gaarne den spot met hem en zij konden niet nalaten hem nu en dan een kool te stoven. Zij noemden hem dommen Hans, maar hij was toch veel slimmer dan zij allen te zamen.
Domme Hans bezat slechts één koe; deze koe was erg wild, sprong dikwijls over de heg en deed zich dan te goed aan het koren van den buurman en trapte alles plat. Eindelijk dreigde de buurman, dat hij, als dat nog eens gebeurde, de koe dood zou schieten. Maar de koe grasduinde reeds den volgenden dag weer in buurmans koren. Deze deed zijn bedreiging gestand en schoot het beest dood. Domme Hans was evenwel machteloos tegenover zijn rijken buurman; hij kon niets anders doen dan om zijn eenige koe treuren. Hij vilde het beest echter en ging met de huid naar de markt en toen hij zijn waar verkocht had, stapte hij een herberg binnen; hij bleef daar tot het nacht was en deed zich intusschen eens flink te goed.
De kooper van de huid bleek een dief te zijn; hij hing zich de huid om, zoodat het scheen dat de horens op zijn hoofd stonden, en des nachts ging hij naar den herbergier, die altijd met dubbel krijt schreef en door zijn gasten te bedriegen een rijk man was geworden. De dief zeide hem: "Geef me dadelijk al je geld, als je niet wilt, dat ik je den hals omdraai; je ziet zeker wel, wie ik ben." De waard schrikte erg van de zwarte gedaante, dacht den duivel te zien en gaf al het geld, dat hij had. Toen echter de dief verdwenen was, bezon hij zich, wekte zijn gezin en buren en zette den roover na. Deze liep zoo snel als hij kon, maar het geld hinderde hem in zijn vlucht. Hij haalde den boer in, van wien hij de huid gekocht had en die nu naar huis wandelde. "Als ge een tijd lang mijn geld wilt dragen," zeide hij hem, "en me niet verraadt, dan zullen we alles eerlijk samen deelen." Nu, dat vond Hans opperbest en de dief zette het weer op een loopen. Weldra kwamen zijn vervolgers bij Hans en vroegen hem of hij ook een dief gezien had.
"Neen, maar daareven vloog me de duivel voorbij en zeide, dat hij ieder, die hem achtervolgde, den hals zou omdraaien." Toen meenden ze, dat het toch beter zou zijn als ze omkeerden, en domme Hans ging kalmpjes met zijn geld naar huis.
Den anderen morgen kwam de dief om het geld te deelen. Domme Hans liet bij zijn buurman een kannemaat te leen vragen; hij liet zeggen, dat hij zijn geld daarmede wilde meten. De buurman begon te lachen en zeide, dat domme Hans daarin zeker zijn aardappelen wilde meten, maar hij zond hem toch een maat. Toen de boer echter deze van Hans terugkreeg en in een van de hoeken er van een paar schellingen vond, ging hij naar de andere landbouwers en vertelde hun, dat domme Hans plotseling zoo rijk geworden was, dat hij zijn geld bij kannemaat telde. Toen gingen zij allen aan dommen Hans vragen, hoe hij aan zooveel geld kwam en deze vertelde hun, dat hij de huid van de koe, die zijn buurman doodgeschoten had, verkocht had en dat men hem daarvoor al dat geld had gegeven. Die handel leek den boeren goed, en zij sloegen al hunne koeien en ossen dood, gingen met de huiden naar de markt en vroegen voor elke huid ten minste honderd daalders. Maar men wilde hun niet meer dan den gewonen prijs er voor geven, en de kooplieden, die meenden dat de boeren hun voor den gek wilden houden, gaven hun nog een pak slaag op den koop toe. De slimme boeren waren woedend op dommen Hans en bij het naar huis gaan spraken zij af, dat zij hem des nachts zouden vermoorden. Hans had echter den reuk beet gekregen van hun plan. Daarom legde hij des avonds zijn oude grootmoeder aan de voorzijde van het bed en ging zelf achterin liggen.
En toen de boeren 's nachts met bijlen en knuppels in huis drongen, sloegen zij de oude grootmoeder dood, maar dachten dat zij Hans naar de andere wereld hadden gezonden.
Domme Hans stond den volgenden morgen vroeg op, laadde een voorraad appelen op zijn wagen en zette zijn grootmoeder, alsof zij nog leefde, op een stoel er bij. Zoo ging hij ter markt en liet den wagen met appelen daar staan. Hij zelf stapte weer de herberg in, zette zich voor het venster en wachtte op de dingen, die komen zouden.
Weldra verschenen een paar kooplui en vroegen: "Moedertje, wat kosten die appelen?" De oude grootmoeder zat echter stokstijf op haar stoel en antwoordde niets. De kooplui vroegen het nog eens, maar kregen geen boe of ba te horen. Toen werd er een van hen boos en hij gaf haar een duw met zijn stok en riep: "Heila moedertje!"
Moedertje viel achterover van den wagen en dadelijk sprong domme Hans uit de herberg, terwijl hij riep, dat de kooplieden zijn grootmoeder hadden dood geslagen en dat hun dit duur te staan zou komen. De schrik sloeg den mannen zoo om het hart, dat zij Hans veel geld boden, als hij wilde zwijgen. Dat vond hij ook heel goed en zij gaven hem tweehonderd daalders. Hans begroef hierop zijn grootmoeder en ging welgemoed naar huis.
Toen de boeren evenwel zagen, dat domme Hans nog levend was, waren zij zeer verbaasd en vroegen hem: "Hebben wij je dan niet doodgeslagen?" waarop de slimmert antwoordde: "Toch niet! Gij hebt mijn oude grootmoeder vermoord en ik heb met haar lijk goede zaakjes gemaakt; ik heb het naar de markt gebracht en men heeft er mij twee honderd daalders voor gegeven."
Dat verbaasde de boeren nog meer en zij besloten, daar er nog veel oude vrouwen in het dorp waren, die allen dood te slaan en haar lijken op de markt te verkoopen. Toen zij nu met al die oude vrouwen op de markt kwamen en de menschen hun vroegen: "Wat hebt gij te koop?" antwoordden de boeren: "Doode grootmoeders!" Als een loopend vuurtje verspreid[d]e zich door de stad de mare, dat de boeren hun grootmoeders hadden vermoord.
Spoedig vernam de schout dit ook en wilde hij al de boeren in de gevangenis zetten, en slechts met veel moeite en met veel geld konden zij zich loskoopen.
Nu echter waren zij zoo boos op dommen Hans, dat zij besloten zich dadelijk van hem te verlossen, door hem te verdrinken.
Zoodra zij in hun dorp terug waren, pakten ze hem beet, stopten hem in een ton en rolden deze naar een vijver. Daar lieten zij de ton een oogenblikje staan om nog in de herberg een hartsterking te nemen. Hans zat nog steeds in de ton en riep: "Ik moet de koningsdochter trouwen en ik mag haar niet lijden! Ik moet de koningsdochter trouwen en dat wil ik niet." De schaapherder, die met zijn kudde juist voorbijkwam, hoorde Hans zoo roepen. Dadelijk zeide hij: "Als gij het niet wilt, ik wil het wel; kan ik de koningsdochter niet krijgen?" "Wel zeker," antwoordde Hans, "maar dan moet gij in mijn plaats in de ton kruipen." Dat deed de schaapherder en toen de boeren kwamen, riep hij: "Laat mij er uit, ik wil wel met de koningsdochter trouwen!" Maar de boeren waren doof voor zijn geroep en met ton en al rolden zij hem in den vijver.
"Ziezoo," zeiden ze, "daar zullen we ten minste geen last meer van hebben," en zeer tevreden over hun wraakneming keerden zij naar hun dorp terug.
Des avonds echter dreef Hans zijn kudde naar stal; verbaasd vroegen de boeren hem: "Maar Hans, waar komt ge nu weer vandaan en vanwaar haal je die schapen?"
"Wel, uit den vijver, waarin ge me geworpen hebt; hij is vol schapen."
Dat wilden de boeren niet gelooven en den anderen dag gingen zij met Hans kijken.
Juist spiegelden zich schapenwolkjes in het water en Hans zeide: "Ziet ge nu wel, dat ik gelijk heb?" Ieder der boeren wilde nu een kudde schapen uit het water halen, maar de rijke buurman van Hans zeide:
"Ik eerst!" en met één sprong lag hij midden in den vijver. Het water sloot zich boven zijn hoofd, maar nog eenmaal kwam hij boven en riep: "Bloebbeleboeb, bloebbeleboeb!"
"Wat zegt hij daar?" vroegen de boeren.
"Hij zegt," antwoordde Hans, "ik heb daar een pracht van een bok te pakken, kom me even helpen!"
Toen sprongen en drongen alle boeren in het water en zij verdronken allen als ratten. Het geheele dorp was nu uitgestorven en domme Hans was eenig erfgenaam van zijne vijanden.
Van toen af was hij een rijk man en leefde hij in de grootste pracht; hij vierde alle dagen feest en als hij niet dood is, leeft hij nog.
In zeker dorp woonden eertijds veel rijke boeren, en onder hen was maar één enkele arme landbouwer, die een heel klein lapje grond bezat, van welks opbrengst hij met zijn grootmoeder leefde. De rijke boeren dreven gaarne den spot met hem en zij konden niet nalaten hem nu en dan een kool te stoven. Zij noemden hem dommen Hans, maar hij was toch veel slimmer dan zij allen te zamen.
Domme Hans bezat slechts één koe; deze koe was erg wild, sprong dikwijls over de heg en deed zich dan te goed aan het koren van den buurman en trapte alles plat. Eindelijk dreigde de buurman, dat hij, als dat nog eens gebeurde, de koe dood zou schieten. Maar de koe grasduinde reeds den volgenden dag weer in buurmans koren. Deze deed zijn bedreiging gestand en schoot het beest dood. Domme Hans was evenwel machteloos tegenover zijn rijken buurman; hij kon niets anders doen dan om zijn eenige koe treuren. Hij vilde het beest echter en ging met de huid naar de markt en toen hij zijn waar verkocht had, stapte hij een herberg binnen; hij bleef daar tot het nacht was en deed zich intusschen eens flink te goed.
De kooper van de huid bleek een dief te zijn; hij hing zich de huid om, zoodat het scheen dat de horens op zijn hoofd stonden, en des nachts ging hij naar den herbergier, die altijd met dubbel krijt schreef en door zijn gasten te bedriegen een rijk man was geworden. De dief zeide hem: "Geef me dadelijk al je geld, als je niet wilt, dat ik je den hals omdraai; je ziet zeker wel, wie ik ben." De waard schrikte erg van de zwarte gedaante, dacht den duivel te zien en gaf al het geld, dat hij had. Toen echter de dief verdwenen was, bezon hij zich, wekte zijn gezin en buren en zette den roover na. Deze liep zoo snel als hij kon, maar het geld hinderde hem in zijn vlucht. Hij haalde den boer in, van wien hij de huid gekocht had en die nu naar huis wandelde. "Als ge een tijd lang mijn geld wilt dragen," zeide hij hem, "en me niet verraadt, dan zullen we alles eerlijk samen deelen." Nu, dat vond Hans opperbest en de dief zette het weer op een loopen. Weldra kwamen zijn vervolgers bij Hans en vroegen hem of hij ook een dief gezien had.
"Neen, maar daareven vloog me de duivel voorbij en zeide, dat hij ieder, die hem achtervolgde, den hals zou omdraaien." Toen meenden ze, dat het toch beter zou zijn als ze omkeerden, en domme Hans ging kalmpjes met zijn geld naar huis.
Den anderen morgen kwam de dief om het geld te deelen. Domme Hans liet bij zijn buurman een kannemaat te leen vragen; hij liet zeggen, dat hij zijn geld daarmede wilde meten. De buurman begon te lachen en zeide, dat domme Hans daarin zeker zijn aardappelen wilde meten, maar hij zond hem toch een maat. Toen de boer echter deze van Hans terugkreeg en in een van de hoeken er van een paar schellingen vond, ging hij naar de andere landbouwers en vertelde hun, dat domme Hans plotseling zoo rijk geworden was, dat hij zijn geld bij kannemaat telde. Toen gingen zij allen aan dommen Hans vragen, hoe hij aan zooveel geld kwam en deze vertelde hun, dat hij de huid van de koe, die zijn buurman doodgeschoten had, verkocht had en dat men hem daarvoor al dat geld had gegeven. Die handel leek den boeren goed, en zij sloegen al hunne koeien en ossen dood, gingen met de huiden naar de markt en vroegen voor elke huid ten minste honderd daalders. Maar men wilde hun niet meer dan den gewonen prijs er voor geven, en de kooplieden, die meenden dat de boeren hun voor den gek wilden houden, gaven hun nog een pak slaag op den koop toe. De slimme boeren waren woedend op dommen Hans en bij het naar huis gaan spraken zij af, dat zij hem des nachts zouden vermoorden. Hans had echter den reuk beet gekregen van hun plan. Daarom legde hij des avonds zijn oude grootmoeder aan de voorzijde van het bed en ging zelf achterin liggen.
En toen de boeren 's nachts met bijlen en knuppels in huis drongen, sloegen zij de oude grootmoeder dood, maar dachten dat zij Hans naar de andere wereld hadden gezonden.
Domme Hans stond den volgenden morgen vroeg op, laadde een voorraad appelen op zijn wagen en zette zijn grootmoeder, alsof zij nog leefde, op een stoel er bij. Zoo ging hij ter markt en liet den wagen met appelen daar staan. Hij zelf stapte weer de herberg in, zette zich voor het venster en wachtte op de dingen, die komen zouden.
Weldra verschenen een paar kooplui en vroegen: "Moedertje, wat kosten die appelen?" De oude grootmoeder zat echter stokstijf op haar stoel en antwoordde niets. De kooplui vroegen het nog eens, maar kregen geen boe of ba te horen. Toen werd er een van hen boos en hij gaf haar een duw met zijn stok en riep: "Heila moedertje!"
Moedertje viel achterover van den wagen en dadelijk sprong domme Hans uit de herberg, terwijl hij riep, dat de kooplieden zijn grootmoeder hadden dood geslagen en dat hun dit duur te staan zou komen. De schrik sloeg den mannen zoo om het hart, dat zij Hans veel geld boden, als hij wilde zwijgen. Dat vond hij ook heel goed en zij gaven hem tweehonderd daalders. Hans begroef hierop zijn grootmoeder en ging welgemoed naar huis.
Toen de boeren evenwel zagen, dat domme Hans nog levend was, waren zij zeer verbaasd en vroegen hem: "Hebben wij je dan niet doodgeslagen?" waarop de slimmert antwoordde: "Toch niet! Gij hebt mijn oude grootmoeder vermoord en ik heb met haar lijk goede zaakjes gemaakt; ik heb het naar de markt gebracht en men heeft er mij twee honderd daalders voor gegeven."
Dat verbaasde de boeren nog meer en zij besloten, daar er nog veel oude vrouwen in het dorp waren, die allen dood te slaan en haar lijken op de markt te verkoopen. Toen zij nu met al die oude vrouwen op de markt kwamen en de menschen hun vroegen: "Wat hebt gij te koop?" antwoordden de boeren: "Doode grootmoeders!" Als een loopend vuurtje verspreid[d]e zich door de stad de mare, dat de boeren hun grootmoeders hadden vermoord.
Spoedig vernam de schout dit ook en wilde hij al de boeren in de gevangenis zetten, en slechts met veel moeite en met veel geld konden zij zich loskoopen.
Nu echter waren zij zoo boos op dommen Hans, dat zij besloten zich dadelijk van hem te verlossen, door hem te verdrinken.
Zoodra zij in hun dorp terug waren, pakten ze hem beet, stopten hem in een ton en rolden deze naar een vijver. Daar lieten zij de ton een oogenblikje staan om nog in de herberg een hartsterking te nemen. Hans zat nog steeds in de ton en riep: "Ik moet de koningsdochter trouwen en ik mag haar niet lijden! Ik moet de koningsdochter trouwen en dat wil ik niet." De schaapherder, die met zijn kudde juist voorbijkwam, hoorde Hans zoo roepen. Dadelijk zeide hij: "Als gij het niet wilt, ik wil het wel; kan ik de koningsdochter niet krijgen?" "Wel zeker," antwoordde Hans, "maar dan moet gij in mijn plaats in de ton kruipen." Dat deed de schaapherder en toen de boeren kwamen, riep hij: "Laat mij er uit, ik wil wel met de koningsdochter trouwen!" Maar de boeren waren doof voor zijn geroep en met ton en al rolden zij hem in den vijver.
"Ziezoo," zeiden ze, "daar zullen we ten minste geen last meer van hebben," en zeer tevreden over hun wraakneming keerden zij naar hun dorp terug.
Des avonds echter dreef Hans zijn kudde naar stal; verbaasd vroegen de boeren hem: "Maar Hans, waar komt ge nu weer vandaan en vanwaar haal je die schapen?"
"Wel, uit den vijver, waarin ge me geworpen hebt; hij is vol schapen."
Dat wilden de boeren niet gelooven en den anderen dag gingen zij met Hans kijken.
Juist spiegelden zich schapenwolkjes in het water en Hans zeide: "Ziet ge nu wel, dat ik gelijk heb?" Ieder der boeren wilde nu een kudde schapen uit het water halen, maar de rijke buurman van Hans zeide:
"Ik eerst!" en met één sprong lag hij midden in den vijver. Het water sloot zich boven zijn hoofd, maar nog eenmaal kwam hij boven en riep: "Bloebbeleboeb, bloebbeleboeb!"
"Wat zegt hij daar?" vroegen de boeren.
"Hij zegt," antwoordde Hans, "ik heb daar een pracht van een bok te pakken, kom me even helpen!"
Toen sprongen en drongen alle boeren in het water en zij verdronken allen als ratten. Het geheele dorp was nu uitgestorven en domme Hans was eenig erfgenaam van zijne vijanden.
Van toen af was hij een rijk man en leefde hij in de grootste pracht; hij vierde alle dagen feest en als hij niet dood is, leeft hij nog.
Onderwerp
AT 1535 - The Rich and the poor Peasant   
ATU 1535 - The Rich and the Poor Farmer.   
Beschrijving
De buurman schiet Domme Hans' koe dood en deze gaat met de huid naar de markt. Onderweg naar huis wordt hij ingehaald door een dief (de koper van de huid), die hem het gestolen geld toevertrouwd, dat door Hans naar huis wordt gebracht, waar hij zegt het voor de huid te hebben gekregen. De boeren slaan ook hun koeien dood, krijgen echter niet veel geld voor de huiden en willen Hans vermoorden, die dat hoort en zijn oude grootmoeder voor in het bed legt. Hans neemt de vermoorde grootmoeder op zijn wagen mee naar de markt en zet haar bij de appels. Een man, die geen antwoord krijgt, duwt haar, zodat ze van de wagen valt en Hans beschuldigt hem van moord en krijgt geld voor zwijgen. Ook de boeren slaan hun grootmoeders dood om hen te verkopen, komen in de gevangenis, kopen zich los en stoppen Hans in een ton om hem te gaan verzuipen, gaan echter onderweg naar een herberg, zodat Hans een schaapsherder kan verleiden zijn plaats in te nemen. De boeren gooien de ton met de herder in het water en komen later Hans tegen met de schapen, die hij zegt uit de vijver gehaald te hebben. De boeren gaan erheen, zien schapenwolken weerspiegeld in het water, springen erin en verzuipen als ratten, zodat Hans het rijk alleen heeft.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut) (eigen uitgave in ongedateerde Volks-courant N°10)
Motief
K941.1 - Cows killed for their hides when large price is reported by trickster.   
K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.   
Commentaar
eind 19e eeuw
The Rich and the poor Peasant
Naam Overig in Tekst
Domme Hans   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
