Hoofdtekst
Van den koningszoon met de honden.
Er was eens een koning die drie zonen had. De beide oudsten waren bij het volk zeer gezien. Zij hielden er elk een prachtige equipage op na en leefden op grooten voet. De jongste daarentegen was niet in tel, want men hield hem voor onwijs. Hij had drie kwade honden waar iedereen bang voor was en die IJzer, Staal en Jan heetten.
Toen de jongens grooter werden zouden ze op reis gaan om wat meer van de wereld te zien. De oudste zoon vertrok het eerst, gezeten in eene koets met vier paarden, maar van slechts weinig reisgeld voorzien. Dit geld was dan ook spoedig uitgegeven, maar de prins reisde verder. Toen hij weer bij een tolhek kwam riep hij als gewoonlijk: "Tolmeester! tolmeester! het tolhek los!" "Wie is ervoor?" vroeg de tolmeester. "Des konings zoon." "Des konings zoon moet tol geven." "Des konings zoon heeft geen tol." "Dan moet ge uw zweep aflangen." En er viel niet aan te doen: de prins moest zijn zweep geven. Bij het volgende tolhek ging het evenzoo. Achtereenvolgens moest hij zijne tuigen, drie der paarden, toen het rijtuig en eindelijk zijn laatste paard afstaan. Al kreeg hij van tijd tot tijd geld terug, dit was noodig om eten te koopen en zijn logies te betalen. Ten slotte kon hij zijn reis dus enkel te voet vervolgen. Zoo kwam hij eindelijk aan een herberg, waar hij weer eten en nachtverblijf bestelde. De waard was echter een menscheneter. Hij nam dus den prins gevangen, en, omdat hij hem eerst wat vetter wilde maken voor hij hem opat, sloot hij hem op. In het vertrek waar de prins gevangen werd gezet waren allerlei ijselijke dingen: een bloedput, een groote kuip, ijzeren schroeven, een blaasbalg en zoo meer, en kans om te ontsnappen was er niet.
Onderwijl was ook de tweede zoon des konings op reis gegaan. Hij reed ook uit in zijn mooie koets, maar het verging hem net als zijn broer. Toen zijn reisgeld op was, raakte ook hij koets en paarden kwijt en kwam hij ten slotte te voet bij het huis van den wildeman aan. Deze hield ook hem gevangen en bracht hem in hetzelfde vertrek waar de oudste prins reeds zat.
Toen nu aan den derden koningszoon de beurt was gekomen om op reis te gaan, vroeg deze niet om paarden of rijtuig, maar hij ging te voet en nam niet dan zijn drie honden mede. Kwam hij aan een tolhek, dan riep ook hij: "Tolmeester! tolmeester! het tolhek los!" "Wie is er voor?" "Des konings zoon." "Des konings zoon moet tol geven." "De konings zoon geeft geen tol." Wilde de tolmeester hem niet doorlaten of zeide hij: "Ge moet een uwer honden afstaan," dan riep de prins zijne honden toe:
"lJzer, Staal en Jan! pak an!
Pak dien kerel bij 't been an,
En werp hem in de sloot!"
Zoo wist hij zich overal vrijen doortocht te verschaffen en voor eten en logies zorgde hij op dezelfde manier. Eindelijk kwam ook hij aan de woning van den menscheneter. Hij vroeg om nachtverblijf, doch de waard zeide dat hij maar één vertrek had en dat zich daarin een bloedput en andere ijselijkheden bevonden, terwijl er bovendien al twee andere gasten waren. Dat schrikte den prins echter niet af, en hij liet er zich heenbrengen. Nauwelijks was hij binnen of hij herkende zijn broeders. Toen beval hij zijn honden:
"IJzer, Staal en Jan! pak an!
Pak dien kerel bij 't been an,
En werp hem in den bloedput!"
Zoo raakten alle drie weer in vrijheid en keerden ze samen naar huis terug.
Er was eens een koning die drie zonen had. De beide oudsten waren bij het volk zeer gezien. Zij hielden er elk een prachtige equipage op na en leefden op grooten voet. De jongste daarentegen was niet in tel, want men hield hem voor onwijs. Hij had drie kwade honden waar iedereen bang voor was en die IJzer, Staal en Jan heetten.
Toen de jongens grooter werden zouden ze op reis gaan om wat meer van de wereld te zien. De oudste zoon vertrok het eerst, gezeten in eene koets met vier paarden, maar van slechts weinig reisgeld voorzien. Dit geld was dan ook spoedig uitgegeven, maar de prins reisde verder. Toen hij weer bij een tolhek kwam riep hij als gewoonlijk: "Tolmeester! tolmeester! het tolhek los!" "Wie is ervoor?" vroeg de tolmeester. "Des konings zoon." "Des konings zoon moet tol geven." "Des konings zoon heeft geen tol." "Dan moet ge uw zweep aflangen." En er viel niet aan te doen: de prins moest zijn zweep geven. Bij het volgende tolhek ging het evenzoo. Achtereenvolgens moest hij zijne tuigen, drie der paarden, toen het rijtuig en eindelijk zijn laatste paard afstaan. Al kreeg hij van tijd tot tijd geld terug, dit was noodig om eten te koopen en zijn logies te betalen. Ten slotte kon hij zijn reis dus enkel te voet vervolgen. Zoo kwam hij eindelijk aan een herberg, waar hij weer eten en nachtverblijf bestelde. De waard was echter een menscheneter. Hij nam dus den prins gevangen, en, omdat hij hem eerst wat vetter wilde maken voor hij hem opat, sloot hij hem op. In het vertrek waar de prins gevangen werd gezet waren allerlei ijselijke dingen: een bloedput, een groote kuip, ijzeren schroeven, een blaasbalg en zoo meer, en kans om te ontsnappen was er niet.
Onderwijl was ook de tweede zoon des konings op reis gegaan. Hij reed ook uit in zijn mooie koets, maar het verging hem net als zijn broer. Toen zijn reisgeld op was, raakte ook hij koets en paarden kwijt en kwam hij ten slotte te voet bij het huis van den wildeman aan. Deze hield ook hem gevangen en bracht hem in hetzelfde vertrek waar de oudste prins reeds zat.
Toen nu aan den derden koningszoon de beurt was gekomen om op reis te gaan, vroeg deze niet om paarden of rijtuig, maar hij ging te voet en nam niet dan zijn drie honden mede. Kwam hij aan een tolhek, dan riep ook hij: "Tolmeester! tolmeester! het tolhek los!" "Wie is er voor?" "Des konings zoon." "Des konings zoon moet tol geven." "De konings zoon geeft geen tol." Wilde de tolmeester hem niet doorlaten of zeide hij: "Ge moet een uwer honden afstaan," dan riep de prins zijne honden toe:
"lJzer, Staal en Jan! pak an!
Pak dien kerel bij 't been an,
En werp hem in de sloot!"
Zoo wist hij zich overal vrijen doortocht te verschaffen en voor eten en logies zorgde hij op dezelfde manier. Eindelijk kwam ook hij aan de woning van den menscheneter. Hij vroeg om nachtverblijf, doch de waard zeide dat hij maar één vertrek had en dat zich daarin een bloedput en andere ijselijkheden bevonden, terwijl er bovendien al twee andere gasten waren. Dat schrikte den prins echter niet af, en hij liet er zich heenbrengen. Nauwelijks was hij binnen of hij herkende zijn broeders. Toen beval hij zijn honden:
"IJzer, Staal en Jan! pak an!
Pak dien kerel bij 't been an,
En werp hem in den bloedput!"
Zoo raakten alle drie weer in vrijheid en keerden ze samen naar huis terug.
Beschrijving
Een koning heeft drie zonen. De oudste koningszoon trekt de wereld in. Al gauw is al zijn geld op. Om tol te kunnen betalen, staat hij zijn paard af. De prins gaat te voet verder en komt bij een herberg. De waard is een menseneter en sluit de prins op. De tweede zoon is inmiddels ook op reis gegaan. Hem vergaat het hetzelfde. Hij wordt door de waard bij zijn broer opgesloten. De jongste zoon vertrekt en neemt drie honden mee. Zodra hij tol moet betalen, stuurt hij zijn honden erop af. Hij komt in dezelfde herberg aan, en wordt naar zijn broers gebracht. Hij laat zijn honden de waard in een put gooien en bevrijdt zijn broers.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 14 (1902), pp. 86-87 N°16
Commentaar
1894
vgl. SINVS028
Naam Overig in Tekst
Jan   
Naam Locatie in Tekst
IJzer   
Staal   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
