Hoofdtekst
Er waren eens een koning en eene prinses. Die koning was schat- en schatrijk, maar zijn grootste schat was zijne dochter. De prinses was zoo zachtmoedig als de meizoetjes buiten in het veld en zoo schoon als een lentemorgen; en als ze glimlachte was het of de zon nog helderder scheen dan anders en of de sterretjes aan den hemel van blijdschap gingen flonkeren.
Geen wonder dus dat er veel over haar schoonheid gesproken werd en dat van heinde en verre prinsen kwamen opdagen om naar hare hand te dingen. Maar hoeveel rijke en machtige prinsen er ook kwamen, hare keus viel niet op hen. Zij had haar hart reeds weggeschonken aan een jongen, schoonen koningszoon, maar die arm was aan geld en goed, want zijn vader regeerde maar over een heel klein rijkje. Zij hadden elkander zielslief en hoopten niets vuriger dan eenmaal met elkaar te mogen trouwen en gelukkig te worden.
Maar de koning had het anders beschikt. Hij wilde geen armen prins tot schoonzoon hebben, en hoe zijn dochter ook klaagde en schreide, het baatte niet: tegen wil en dank werd zij verloofd met een koning die rijk was, maar bij lange niet zoo schoon en ook niet zoo deugdzaam als de ongelukkige prins. Deze mocht nu natuurlijk ook niet meer aan het hof komen en de prinses zou dus den prins misschien nooit hebben teruggezien als niet een harer hofdames medelijden met hen had gehad en bewerkte dat zij elkaar nog wel eens in het geheim konden spreken. Die hofdame was zeer aan de prinses gehecht; zij waren samen opgegroeid en groote vriendinnen geworden. Als klein meisje was ze aan het hof gekomen, niemand wist van waar, en wat het wonderlijkste was: ze droeg een klein gouden sterretje op haar voorhoofd. Die hofdame dan zorgde dat de prins van tijd tot tijd de poort open vond en ongemerkt in het paleis kon komen. Zij bracht hem dan stilletjes bij de prinses en de twee geliefden konden een paar uur minnekoozen en troost zoeken voor -hun leed. Zij spraken elkaar moed in en hoopten nog altijd dat zij den koning zouden kunnen vermurwen.
Maar dat mocht niet zijn. Toen de prins op zekeren avond weerkwam vond hij de prinses buiten zich zelf van droefheid. De koning had den dag van haar huwelijk vastgesteld en er was niets meer aan haar lot te veranderen. De prins hield zich moediger en zocht haar te troosten. Hij zei dat alles nog niet verloren was en dat er onverwacht nog zooveel gebeuren kon; maar toen hij weggegaan was, kon hij zijn smart niet meer bedwingen. Hij was geheel ontmoedigd en wist niet wat te doen om het noodlot te keeren. Tobbend en peinzend liep hij waar zijn voeten hem dragen wilden. De zon was opgegaan en wierp haar warme stralen over de aarde en wekte de bloempjes uit den slaap en deed den dauw parelen en schitteren, maar de prins zag het niet. De vogels begonnen vroolijk te kwinkeleeren en de krekeltjes zongen in het groene gras, maar de prins hoorde ze niet. Hij liep maar voort en was te bedroefd om te zien waar hij liep. Zijne gedachten waren zoo geheel vervuld met de prinses dat hij nauwelijks merkte dat hij door een bosch ging en dat het pad hoe langer hoe smaller en slechter werd. Maar eindelijk kon hij niet verder: boomwortels en kreupelhout maakten den weg onbegaanbaar en hij was wel genoodzaakt even stil te houden. Toen kwam hij tot bezinning. Waar was hij? Maar hoe zou hij dat kunnen zeggen? Hij had er niet op gelet hoe hij liep. Hij ging dus op een boomtronk zitten, niet wetende wat hij verder zou doen. Wat kon het hem ook eigenlijk schelen? Mogelijk was hij wel in het spookbosch, waarin niemand zich durfde wagen, omdat geen mensch die er in gegaan was er levend weer uit was gekomen. Maar wat kon hem het leven nog schelen: als hij de prinses moest verliezen, was hij maar liever dood.
Toch kon hij daar zoo niet blijven zitten totdat de spoken hem zouden komen halen. Hij keek dus eens om zich heen en, zoo waar, daar zag hij op eens een heel leelijk vrouwtje uit den grond oprijzen. Zij ging voor hem staan en vroeg: "Wat zoek-je hier? Weet je niet dat hier alleen spoken en heksen huizen?" De prins was wel wat onthutst door die plotselinge verschijning, maar hij had juist bij zich zelf uitgemaakt dat de heele wereld, met spoken en heksen en al, hem onverschillig liet en hij wachtte dus af wat er verder gebeuren zou. Het vrouwtje had echter geen booze bedoelingen. Zij zag dat hij bedroefd en terneergeslagen was en zei: "Je hebt verdriet. Wat is je overkomen? Vertel het me: misschien kan ik je helpen." De prins had er behoefte aan om zijn overkropt gemoed uit te storten en hij verhaalde dus zijn heele geschiedenis: hoe hij verliefd was geworden op de prinses en de prinses op hem; hoe gelukkig zij waren, tot de koning daar een einde aan maakte door hem van het hof te verjagen; hoe de hofdame met het sterretje op haar voorhoofd hen geholpen had en hoe nu eindelijk de trouwdag van de prinses was bepaald en zij geen middel wisten om dat lang gevreesde huwelijk te voorkomen. Het vrouwtje had met een ernstig gezicht geluisterd, maar hoe verder hij met zijn verhaal vorderde, des te meer klaarde haar gezicht op, en toen hij ophield keek ze opgewekt en tevreden, en was het leelijke oude vrouwtje veranderd in een mooie, rijzige dame. "Kom mee," zei ze; "ik ben de prinses van het groot Damasko: ik zal je helpen, maar dan moet je beloven dat je doen zult wat ik zeg, want ik heb ook jou hulp noodig." Zoo gingen ze dan samen voort, al dieper het bosch in, tot ze eindelijk kwamen op een heel donkere plek. Daar was een gat in den grond en zoo kwamen ze in eene onderaardsche gang, waar het zoo duister was als de nacht. Ze liepen door, wel een uur lang, zonder een woord te spreken. Maar toen zagen ze het in de verte schemeren en werd het al lichter en lichter, en ze kwamen op een groot plein met een prachtig kasteel, dat schitterde en straalde als de zon. Het was dan ook van louter goud, diamant en edelgesteente en het blonk zóó dat men er haast niet naar kijken kon. Van binnen waren de zalen met zijde en goudleer behangen en prachtig gemeubileerd en de prins zag kamers vol kostbaarheden, waar het goud en zilver zoo maar lag opgestapeld. Hij kon zijn oogen niet gelooven en dacht: "Van dat alles zal de prinses van Damasko mij zeker wat geven, zoodat ik naar den koning kan gaan en hem mijn schatten aanbieden, en zoo zal ik mijn liefste tot vrouw krijgen." Maar hij had het mis. De prinses van Damasko dacht er niet aan hem rijk te maken, want geld had hij niet noodig: dat zou hij later genoeg in zijn bezit krijgen. Ze had heel andere plannen en ze zei: "In dit paleis woon ik, en al de schatten die ge ziet zijn door mijn voorouders bijeenvergaderd. Nog nooit is een menschenkind hier geweest: wie het dorst wagen ons eigendom te betreden heeft dat altijd met den dood moeten bekoopen, want ik heb duizend onderaardsche slaven die mijne bevelen gehoorzamen. Geloof dus maar vrij dat ge hier niet levend vandaan zoudt komen als ik uw hulp niet noodig had. Dat vindt ge vreemd, want ge denkt natuurlijk dat ik wel heel gelukkig moet zijn, omdat ik in zoo'n mooi paleis woon en alles heb wat iemand verlangen kan. Maar schijn bedriegt. Ik heb groot verdriet: even groot verdriet als jij. En ik heb dat verdriet al meer dan tien jaar verduurd, terwijl jou droefheid nog maar pas is begonnen. Ik had een kind, een eenig dochtertje, en dat kind is mij ontroofd. Het heeft zich te dicht bij den rand van het bosch gewaagd en is toen door menschen meegevoerd. En hoe oppermachtig ik hier in mijn rijk ook ben, daarbuiten kan ik niets doen, want het is een eeuwige wet voor mij en de mijnen om dit bosch niet te verlaten. Ik kon mijn kind dus niet opsporen en heb nooit iets van haar vernomen. Jarenlang heb ik gewacht of zich een mensch in mijn gebied zou wagen: gij zijt de eerste die het spookbosch is binnengegaan. Maar het geluk heeft u geleid en juist u hierheen gebracht. De droefheid heeft de droefheid verdreven en de bedroefde zal den droeve troost brengen. Zoo zal het zijn!"
De prins begreep niet alles wat zij zeide, maar hij had geen tijd om iets te vragen, want zij nam hem bij de hand en trok hem voort naar den tuin van het paleis. Daar schitterde het als kristal, want rondom waren prachtige watervallen, en fonteinen sprongen hoog op in glinsterende kleuren en beekjes klaterden door het groen. Hij zag daar boomen met de heerlijkste vruchten en prachtige heesters stonden in vollen bloei en vervulden de lucht met zoeten geur. Vogels in bonte kleuren vlogen af en aan en zongen hun schoonste lied, en de insekten schitterden als levende edelsteenen in den zonneglans. En toch had al die heerlijkheid de prinses van Damasko niet kunnen troosten in haar droefheid, en ook de prins was nog te veel vervuld van de gedachte aan zijne uitverkorene en hoe alles nog tot een goed einde zou komen, dan dat hij van alle pracht om zich heen kon genieten. Zoo voortwandelende kwamen ze eindelijk bij een paar appelboomen die naast elkaar stonden. Er hingen prachtige appelen aan, zoo mooi als de prins ze nog nooit had gezien. "Zie zoo," zei de prinses, "pluk nu zeven appelen van iederen boom, maar pas vooral op dat ze niet door elkaar raken. Hier zijn twee zakjes: op het eene staat Hokus, op het andere Pokus. Doe ze daar in." Dat deed hij en toen zei de prinses: "Nu heb je het middel om je liefste tot bruid te krijgen, want wie een appel van Hokus eet krijgt jeugd en schoonheid weer, al was hij ook zoo oud en zoo leelijk als de nacht, maar een appel van Pokus geeft aan wien er van eet horens die zoo hoog groeien dat de top met geen ladder te bereiken is. Ga nu mee, dan zal ik je uit het bosch brengen en onderweg vertellen wat je te doen hebt." Dat gebeurde en de prins beloofde precies te zullen doen wat zij hem opdroeg; bij het afscheidnemen kreeg hij nog een paar doosjes met eene zalf waardoor hij zich onkenbaar maken en weer in zijne gewone gedaante terugbrengen kon en zoo ging hij weer op weg naar de hoofdstad.
Het was juist marktdag toen hij daar aankwam. Hij had zich in een koopman veranderd en ging zoo de stad binnen. In die tijden was het nog de gewoonte dat ook de hofstoet op de markt kwam om daar inkoopen te doen en de prins wachtte dus tot hij de prinses met haar gevolg zag aankomen en begon toen te roepen: "Appelen van Damasko, appelen van Damasko! wie ze koopt en eet krijgt jeugd, kracht en schoonheid weer, al was hij ook honderd jaar. Ze kosten maar vijf kopkens per stuk."
De menschen keken hem aan en dachten: "Nu ja, dat zegt hij maar om zijn appelen kwijt te raken, maar ze zijn veel te duur." Toch wist hij zijn waar zoo goed aan te prijzen dat twee oude jongejuffers het toch eens met zijn appels probeerden, en jawel, nauwelijks hadden zij ze op of ze werden weer jong en veel schooner dan ze vroeger ooit geweest waren. Natuurlijk stroomde het volk toen toe en nadat nog een paar appelen hun wonderlijke uitwerking hadden gedaan, liet de prinses den koopman bij zich komen; want hoe mooi een vrouw ook is, ze wil altijd nog mooier worden. De hofdame met het sterretje was bij haar en de koopman gaf haar allebei een appel, maar uit den zak van Pokus, en zei dat ze die eerst moesten opeten als ze weer in het paleis terug waren. Toen maakte hij zoo gauw als hij kon dat hij uit de stad kwam, want hij begreep wel dat het zijn beste beurt niet zou wezen als de appelen werden opgegeten.
Dat was dan ook zeer verstandig, want niet lang daarna was het paleis en de heele stad in rep en roer. De prinses en de hofdame hadden horens gekregen, die tot aan de zoldering reikten. Overal werd naar den koopman gezocht, maar te vergeefs, want de prins had zich natuurlijk weer in zijn vorige gedaante veranderd. Alle dokters uit het rijk werden te hulp geroepen, maar niemand wist raad. Geen middel hielp. Al zaagde men de horens af, in een oogenblik waren ze weer net zoo groot als te voren. Dat duurde zoo een heele poos en de koning was radeloos. De rijke prins wilde nu ook niet meer van trouwen hooren, maar liet zijn bruid lafhartig in den steek. Toen liet de koning omroepen dat wie zijn dochter van de horens zou weten te verlossen tot belooning haar ten huwelijk zou krijgen. Natuurlijk stroomden toen ook uit verre landen de dokters toe om hun kunst te beproeven, maar niemand slaagde. Het geval scheen hopeloos.
Toen kwam op zekeren dag een vreemde dokter aan het paleis die beweerde dat hij de prinses zou genezen. Zijn middel was echter een diep geheim en daarom mocht niemand getuige zijn van de behandeling. De koning wilde eerst niet toestaan dat de dokter met de prinses alleen gelaten werd en dacht dat het geheime middel toch niet zou baten; maar de vreemdeling hield vol en verzekerde dat er geen twijfel was of hij zou de prinses genezen, zoodat de koning eindelijk toegaf en hem met de prinses in de kamer alleen liet. Nauwelijks was dat gebeurd of de dokter sloot zorgvuldig de deur en zei tegen de prinses dat zij haar oogen moest sluiten en afwachten wat er gebeuren zou. Toen haalde hij een doosje voor den dag, bestreek zijn gezicht met de zalf die daar in zat en plotseling was hij weder veranderd in den prins. Hij viel zijn geliefde om den hals en vertelde haar al wat er gebeurd was. Maar eerst had hij haar een appel gegeven uit den zak van Hokus om de horens te doen verdwijnen. Zoo zaten ze dan weder bij elkander, en dat ze zich niet verveelden behoef ik niet te zeggen. Ze hadden zooveel te vertellen dat de tijd omvloog, maar eindelijk begreep de prins toch dat de koning ongeduldig zou worden als hij nog langer bleef. Hij veranderde zich dus weer in den dokter en liet de prinses beloven dat zij nog niets zou zeggen, want de taak die de boschkoningin hem had opgedragen was nog niet afgeloopen.
Het laat zich denken dat de koning niet weinig in zijn schik was, toen hij zag dat zijne dochter werkelijk weer van de horens was bevrijd, en in de algemeene vreugde aan het hof vergat men dat de hofdame van de prinses nog altijd van een paar reusachtige horens was voorzien. De prinses was de eerste die daaraan dacht. Natuurlijk beloofde de dokter dat hij ook op haar zijne kunst zou toepassen; maar toen hij haar zag, fronste hij zijn voorhoofd en schudde met het hoofd. Toen verklaarde hij dat de genezing van de hofdame niet zoo eenvoudig zou gaan. Hij streek het haar wat weg en wees op het gouden sterretje. Toen peinsde en peinsde hij en bleef langen tijd in gedachten verzonken. Maar eindelijk richtte hij zich op en zei: "Er is maar één middel dat helpen kan. De dame kan alleen genezen worden in het spookbosch." De koning wilde daar echter niets van weten, want er was nooit iemand levend uit het spookbosch teruggekomen. Maar de hofdame zei dat ze niet bang was en ook de prinses wist zoo mooi te praten dat de dokter eindelijk toestemming kreeg om met haar naar het bosch te gaan. Dat gebeurde dus en toen zij uit het gezicht waren gaf hij ook aan haar een appel van Hokus, die haar horens deed verdwijnen. Toen bracht hij haar naar een plek die de prinses van Damasko hem had aangewezen, en toen ze er kwamen stond deze daar al. Pas had de hofdame haar gezien of zij vloog op haar af en ze omhelsden elkaar, want de moeder had nu eindelijk haar verloren dochter weer terug. Het gouden sterretje was het familieteeken en ook de prinses van Damasko droeg er een op het voorhoofd zooals de prins nu zag. Nu werd alles opgehelderd. De dochter van de boschkoningin was toen ze nog een heel klein meisje was aan den ingang van het bosch bloemen gaan plukken. Toevallig was de koning op de jacht en van zijn gevolg afgedwaald. Zoo kwam hij bij het spookbosch en zag daar het mooie kind. Hij nam het mee naar zijn paleis en liet het opvoeden met zijn eigen dochter, en niemand wist hoe het meisje in het bosch was gekomen en hoe zij aan dat sterretje op haar voorhoofd kwam. Als men haar vroeg wie haar ouders waren dan zei ze dat ze het niet wist, want ze durfde niet vertellen dat ze in het kasteel van Damasko woonde omdat ze dan als een heks verbrand zou zijn geworden. Ze was langzamerhand in haar lot gaan berusten, ofschoon ze iederen dag aan haar moeder dacht.
Maar nu waren moeder en dochter weer bij elkaar en de prins had zijne prinses weer. Want toen hij aan het hof terugkwam, en hij zijn avonturen verteld had, stond de koning natuurlijk toe dat hij zijne dochter tot vrouw kreeg. Aller blijdschap was dus groot, en ik zou niet weten te zeggen wie wel het allerblijdste was.
De prins trouwde met de prinses en werd koning toen de oude koning gestorven was. Zij leefden heel gelukkig en tevreden en de prins regeerde als een goed vorst.
Onderwerp
AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)   
ATU 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits.   
Beschrijving
Bron
Motief
F721 - Subterranean world.   
D992.1 - Magic horns (grow on person‘s forehead).   
D1375.1 - Magic object causes horns to grow on person.   
D1375.2 - Magic object removes horns from person.   
Commentaar
Motieven: <br>
F721 Subterranean world <br>
D992.1. Magic horns (grow on person's forehead) <br>
D1375.1. Magic objects (fruit, vegetables, charm, flowers, drink) cause horns to grow on person <br>
D1375.2. Magic object (fruit, nut, water, flowers) removes horns from person <br>
Naam Overig in Tekst
Hokes   
Pokes   
Naam Locatie in Tekst
Damasko   
