Hoofdtekst
Van den boerenjongen die den heer te slim was.
In de Purmer was ereis een boer. Die had een zeug die juist gebigd had en zulke jonge biggetjes is altijd een aardig gezicht. Toen daar nu een heer, die met zijn vrouw en kinderen uit rijden was, voorbijkwam en de kinderen die kleine toetjes zagen, wouwen ze die van dichtbij bekijken. De wagen hield stil en zij gingen op de biggetjes af.
Nu had de boer een jongen die de varkens moest houden en als de kinderen bij een biggetje bleven staan en het eens wilden aanhalen, dan riep die: "Vooruit! vooruit!" en joeg het dier voort. Dat begon den heer op het laatst te vervelen en hij dacht: "Ik zal je wel vinden, maatje;" maar hij hield zich heel vriendelijk en zei: "Jij bent een beste jongen; jij bent een beleefde jongen. Zulke jongens kan ik net gebruiken. Je moest eens bij me te gast komen, want ik wil wel eens beter kennis met je maken." "Dat's goed," zei de jongen; "wanneer word ik verwacht?" "Nou," zei mijnheer, "kom dan maar aanstaanden Vrijdag."
Toen de bepaalde dag gekomen was, ging de jongen dus naar het huis van den heer. Hij werd er deftig ontvangen, maar toen het etenstijd was en ze aan tafel gingen, zag hij wel dat hij in de maling genomen werd. De heer had een mooie schelvisch op zijn bord en hij een mageren pekelharing. Hij zei niets, maar hij hield den pekelharing aan zijn oor. "Waarom doe je dat?" zei de heer. "Hij zeit wat," zei de jongen. "Ik hoor niets," zei de heer. Even later deed hij het weer en de gastheer kreeg op zijn vraag hetzelfde antwoord. Maar toen hij voor de derde keer den haring naar zijn oor bracht, kon de ander niet nalaten te zeggen: "Nou moet je me toch eens vertellen wat hij zeit." "O," zei de jongen, "eerst vroeg hij, of ik zoo dol op pekelharing was; en toen vroeg hij, of ik niet liever schelvisch zou lusten; en nou zeit hij weer, dat de schelvisch niet alleen voor den grooten man is, maar dat de kleinen ze ook wel lusten." De heer moest lachen, en de jongen kreeg een groote moot schelvisch op zijn bord.
"En nou lust je zeker ook wel een glaasje wijn," zei de heer. Daar had de jongen natuurlijk niets tegen en hij zei dus: "Asjeblieft." "Goed, dan moet je maar naar den kelder gaan en er den knecht om vragen." Nu had de heer met zijn knecht afgesproken, dat als de jongen in den kelder kwam de knecht hem ouderwetsch zou afranselen, maar de jongen had daar iets van gehoord. Om in den kelder te komen moest je door de keuken. Daar zag de jongen een gebraden ham; die was al gekookt omdat de heer den volgende dag weer gasten zou krijgen. "Drommels," dacht hij in het voorbijgaan, "daar zou ik wel trek in hebben." Toen kwam hij in den kelder en de knecht vroeg: "Je lust zeker wel een glaasje?" "Ja," zei de jongen, "daarvoor kom ik juist hier. Maar een glaasje inschenken dat's geen kunst; maar kun-jij ook twee likeuren uit één vat tappen?" Dat bleek de knecht niet te kunnen en de jongen zei: "Dan zal ik het je leeren." Hij nam de spon uit het vat en zei: "Zie zoo, hou nou je vinger voor het gat." Toen liep hij naar den anderen kant van het vat en boorde daar ook een gat in. "Hou daar nou ook je hand voor, dan zal ik de kranen halen." Maar in plaats van dat te doen, ging hij naar boven, nam in de keuken den ham weg en riep: "O, o, nou heb ik voor zes weken genoeg, nou heb ik voor zes weken genoeg." Hij meende natuurlijk: "genoeg ham," maar de heer dacht dat hij zoo op zijn wammes gehad had, dat hij voor zes weken genoeg had.
De knecht lag onderwijl in den kelder met uitgespreide armen onder het vat en de heer dacht eindelijk: "Waar blijft de knecht toch?" Hij ging dus eens kijken en hoorde toen roepen: "Kom toch! ik kan niet meer, ik kan niet meer!" "Zou hij hem zoo geranseld hebben," dacht hij, "dat hij niet meer kan?" Maar toen hij in den kelder kwam, zag hij wel wat het was en merkte hij dat de jongen, dien hij had willen beetnemen, hem zelf leelijk te pakken had gehad.
Ze hebben me verteld dat het waar gebeurd is; maar als je het niet gelooft, doe je net als ik.
In de Purmer was ereis een boer. Die had een zeug die juist gebigd had en zulke jonge biggetjes is altijd een aardig gezicht. Toen daar nu een heer, die met zijn vrouw en kinderen uit rijden was, voorbijkwam en de kinderen die kleine toetjes zagen, wouwen ze die van dichtbij bekijken. De wagen hield stil en zij gingen op de biggetjes af.
Nu had de boer een jongen die de varkens moest houden en als de kinderen bij een biggetje bleven staan en het eens wilden aanhalen, dan riep die: "Vooruit! vooruit!" en joeg het dier voort. Dat begon den heer op het laatst te vervelen en hij dacht: "Ik zal je wel vinden, maatje;" maar hij hield zich heel vriendelijk en zei: "Jij bent een beste jongen; jij bent een beleefde jongen. Zulke jongens kan ik net gebruiken. Je moest eens bij me te gast komen, want ik wil wel eens beter kennis met je maken." "Dat's goed," zei de jongen; "wanneer word ik verwacht?" "Nou," zei mijnheer, "kom dan maar aanstaanden Vrijdag."
Toen de bepaalde dag gekomen was, ging de jongen dus naar het huis van den heer. Hij werd er deftig ontvangen, maar toen het etenstijd was en ze aan tafel gingen, zag hij wel dat hij in de maling genomen werd. De heer had een mooie schelvisch op zijn bord en hij een mageren pekelharing. Hij zei niets, maar hij hield den pekelharing aan zijn oor. "Waarom doe je dat?" zei de heer. "Hij zeit wat," zei de jongen. "Ik hoor niets," zei de heer. Even later deed hij het weer en de gastheer kreeg op zijn vraag hetzelfde antwoord. Maar toen hij voor de derde keer den haring naar zijn oor bracht, kon de ander niet nalaten te zeggen: "Nou moet je me toch eens vertellen wat hij zeit." "O," zei de jongen, "eerst vroeg hij, of ik zoo dol op pekelharing was; en toen vroeg hij, of ik niet liever schelvisch zou lusten; en nou zeit hij weer, dat de schelvisch niet alleen voor den grooten man is, maar dat de kleinen ze ook wel lusten." De heer moest lachen, en de jongen kreeg een groote moot schelvisch op zijn bord.
"En nou lust je zeker ook wel een glaasje wijn," zei de heer. Daar had de jongen natuurlijk niets tegen en hij zei dus: "Asjeblieft." "Goed, dan moet je maar naar den kelder gaan en er den knecht om vragen." Nu had de heer met zijn knecht afgesproken, dat als de jongen in den kelder kwam de knecht hem ouderwetsch zou afranselen, maar de jongen had daar iets van gehoord. Om in den kelder te komen moest je door de keuken. Daar zag de jongen een gebraden ham; die was al gekookt omdat de heer den volgende dag weer gasten zou krijgen. "Drommels," dacht hij in het voorbijgaan, "daar zou ik wel trek in hebben." Toen kwam hij in den kelder en de knecht vroeg: "Je lust zeker wel een glaasje?" "Ja," zei de jongen, "daarvoor kom ik juist hier. Maar een glaasje inschenken dat's geen kunst; maar kun-jij ook twee likeuren uit één vat tappen?" Dat bleek de knecht niet te kunnen en de jongen zei: "Dan zal ik het je leeren." Hij nam de spon uit het vat en zei: "Zie zoo, hou nou je vinger voor het gat." Toen liep hij naar den anderen kant van het vat en boorde daar ook een gat in. "Hou daar nou ook je hand voor, dan zal ik de kranen halen." Maar in plaats van dat te doen, ging hij naar boven, nam in de keuken den ham weg en riep: "O, o, nou heb ik voor zes weken genoeg, nou heb ik voor zes weken genoeg." Hij meende natuurlijk: "genoeg ham," maar de heer dacht dat hij zoo op zijn wammes gehad had, dat hij voor zes weken genoeg had.
De knecht lag onderwijl in den kelder met uitgespreide armen onder het vat en de heer dacht eindelijk: "Waar blijft de knecht toch?" Hij ging dus eens kijken en hoorde toen roepen: "Kom toch! ik kan niet meer, ik kan niet meer!" "Zou hij hem zoo geranseld hebben," dacht hij, "dat hij niet meer kan?" Maar toen hij in den kelder kwam, zag hij wel wat het was en merkte hij dat de jongen, dien hij had willen beetnemen, hem zelf leelijk te pakken had gehad.
Ze hebben me verteld dat het waar gebeurd is; maar als je het niet gelooft, doe je net als ik.
Onderwerp
VDK 1539A* - Het pak slaag in de wijnkelder   
ATU 1539A* - Closing Up the Wine Cask.   
AT 1567C - Asking the Large Fish   
ATU 1567C - Asking the Large Fish.   
Beschrijving
Een jonge boerenzoon houdt de nieuwsgierige kinderen van een heer voortdurend bij de jonge biggen vandaan. De heer ergert zich aan de brutaliteit van de jongen. Vriendelijk nodigt de heer de jongen een keer bij zich uit, met het plan om de jongen eens een lesje te leren. Als de jongen bij de heer aan tafel zit, krijgt hij pekelharing, terwijl op het bord van de heer schelvis ligt. De jongen houdt de pekelharing bij zijn oor en doet of de vis hem iets toefluistert. Als de heer vraagt wat de vis zegt, beweert de jongen dat de vis hem heeft meegedeeld, dat de heer niet de hele schelvis zelf op moet eten, maar ook wat aan de jongen moet geven. Hierop krijgt de jongen een moot schelvis. Dan vraagt de heer of de jongen wijn lust: hij mag het zelf in de kelder gaan halen. De knecht in de kelder heeft van de heer instructie gekregen om de jongen een pak slaag te geven. De jongen vraagt de knecht of hij twee glazen tegelijk kan tappen. Met de boor maakt de jongen twee gaten aan weerszijden van het wijnvat, die de knecht met zijn vingers de gaten moet dichthouden. In plaats van kraantjes te gaan halen, kaapt de jongen een stuk ham weg, onder de uitroep dat hij nu wel voor zes weken genoeg heeft. De heer denkt dat de jongen over slaag spreekt, maar komt er spoedig achter dat hij is beetgenomen. De jongen maakt zich met de ham uit de voeten.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 16 (1904), pp. 51-52 N°49
Commentaar
1901
vgl. CBAK0250; SINVNS30; SWATER15
Het pak slaag in de wijnkelder & AT 1567C Asking the Large Fish
Naam Locatie in Tekst
Purmer   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
