Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV139 - Van een betooverden molen.

Een sage (tijdschriftartikel), donderdag 02 april 1903

Hoofdtekst

Van een betooverden molen.

Er was ereis een molenaar, dien zijn molen 's nachts maar niet wou draaien. Wat ze er aan deden, het gaf allemaal niets. Geen knecht kon hij houden; want òf ze kwamen verschrikt 's nachts uit den molen vliegen, òf ze bestorven het als ze er een poosje geweest waren. Op een goeden dag komt er een bedelaar aan de deur. "Wil-jij me helpen malen?" zei de molenaar, "dan kun-je veel geld verdienen." Natuurlijk wou die arme man dat wel. "Dat's dus afgesproken," zei de molenaar, "maar je moet weten dat er iederen avond een verschrikkelijk leven in den molen is en dat we hem maar niet op gang kunnen krijgen." "O, daar ben ik niet bang voor; ik zal wel waken. Maar tot aan de bovenste sport toe moet je op iedere tree van de trap een kaars te branden zetten." Dat gebeurde. Eerst zaten ze samen stil bij 't vuur, maar toen het 's avonds laat werd, hoorden ze op eens een gestommel en een leven: alle kaarsen werden na mekaar uitgeblazen en er kwamen een massa zwarte katten binnen. Toen die bij de tafel kwamen en daar ook de kaars wilden uitblazen, zei de bedelaar: "Su, sst, poesjes, dat most jelui nou niet doen, want dan kunnen we niks zien, en ik wil dan een lekker kop koffie zetten, dan kunnen we gezelliger zitten praten." Dat zei hij er maar om, want hij had het kokende water voor wat anders noodig. De katten gingen dus bij het vuur zitten en ze begonnen waarachtig te praten ook. Maar den molenaar werd het intusschen te benauwd. "Ik ga er tusschen uit," zei hij; "ze hebben er al zoovelen gemold, en ik blijf liever nog wat leven."
Toen ze zoo een poosje hadden zitten praten, zei de eene kat tegen de ander: "We mosten hem er even uitwippen." De knecht deed net of hij niets hoorde. Een poos later zeiden ze weer: "We mosten hem er even uitwippen." Maar toen zei er een: "Laten we wachten tot roodbontje komt." Niet lang daarna kwam een roodbonte kat binnenstuiven. "Nou wordt het mijn tijd," dacht de bedelaar; dus hij neemt een pollepel en begint de katten met het kokende water te gooien. Jankend en schreeuwend liepen de katten toen vort (1), en van dat oogenblik af begon de molen te draaien. En toen de molenaar 's morgens kwam kijken, waren er al een paar zak gemalen.
Maar het ergste kwam achteran, want de juffrouw van den molenaar zat vol brandblaren. Die was dus een kol en had een handje in de spokerij gehad.

1. voort, weg.

Onderwerp

SINSAG 0622 - Die verzauberte Mühle (Brauerei)    SINSAG 0622 - Die verzauberte Mühle (Brauerei)   

Beschrijving

Een molenaar heeft nooit lang knechten in dienst omdat het spookt in de molen. De molenaar vraagt een bedelaar of deze wil komen helpen en waken. Alleen moet op elke tree van de trap een kaars branden. De nacht worden alle kaarsen uitgeblazen en komt er een troep zwarte katten binnen. De bedelaar voorkomt dat ze de kaars op tafel ook uitblazen en belooft koffie te zetten. De katten gaan bij het vuur zitten praten; ze overleggen hoe ze de bedelaar kunnen wegjagen, maar besluiten op de roodbonte kat te wachten. Zodra die binnen is, begint de bedelaar de katten met kokend water te besprenkelen. De katten vluchten en de molen is onttoverd en begint te malen. De volgende ochtend zit de vrouw van de molenaar onder de brandblaren; zij blijkt één van de kollen te zijn geweest.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 19 (1907-1908), pp. 65-66 N°111

Commentaar

[2 april] 1903
[Informant uit Uitdam (90 jaar oud)]
vgl. CBAK0380
Die verzauberte Mühle (Brauerei)

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20