Hoofdtekst
Die .LXXXVI. cluchte.
Op een tijt warender twee edellieden die den anderen dic besochten. Ende die ene bracht den anderen eens alle sinen cleynoden voor. Daer waren edele gesteenten in sijnder huysvrouwen ringen die 'r één dryhondert, dye ander seshondert gulden weert waren. Ende als hy lange ge[g]lorieert hadde in die steenen, seyde d'ander edelman: 'Wat profijte brengen u dese steenen in?' Hi seide: 'Niet.' Doen sprac die ander: 'So sy ic dan over u, want ic hebbe twee costelijcke stenen die mi alle jaer meer dan dry C gulden winnen.' Ende op eenen tijt quam die een edelman totten anderen om die steenen te besien. Doen leide hi hem op syn moelen ende toonde hem die molensteenen ende seyde: 'Van die heb ick alle jaer soe veel. Menich geeft [nu] wel vijfduysent guldens om eenen steen, maer sy en gaven niet vijfduysent mijten om dat hemelrijck.' Daerom seet PETRARCHA dat des steenen groote cracht hebben om die rijcke haer kisten ende buydels te [leghen].
Op een tijt warender twee edellieden die den anderen dic besochten. Ende die ene bracht den anderen eens alle sinen cleynoden voor. Daer waren edele gesteenten in sijnder huysvrouwen ringen die 'r één dryhondert, dye ander seshondert gulden weert waren. Ende als hy lange ge[g]lorieert hadde in die steenen, seyde d'ander edelman: 'Wat profijte brengen u dese steenen in?' Hi seide: 'Niet.' Doen sprac die ander: 'So sy ic dan over u, want ic hebbe twee costelijcke stenen die mi alle jaer meer dan dry C gulden winnen.' Ende op eenen tijt quam die een edelman totten anderen om die steenen te besien. Doen leide hi hem op syn moelen ende toonde hem die molensteenen ende seyde: 'Van die heb ick alle jaer soe veel. Menich geeft [nu] wel vijfduysent guldens om eenen steen, maer sy en gaven niet vijfduysent mijten om dat hemelrijck.' Daerom seet PETRARCHA dat des steenen groote cracht hebben om die rijcke haer kisten ende buydels te [leghen].
Beschrijving
Er waren eens twee edellieden die elkaar opzochten. De een nam al zijn sieraden mee, waaronder de ringen van zijn echtgenote. De een was wel 300 gulden waard, de ander wel 600. Toen hij een tijdje opgeschept had zei de ander: Maar welk profijt heb je nu van die stenen? Geen, was het antwoord. Dan doe ik het beter, zei de ander, want mijn kostbare stenen brengen elk jaar meer dan 300 gulden op. Op een dag komt de eerste edelman naar de stenen van de ander kijken. Die nam hem mee naar zijn molen en toonde hem zijn molenstenen.
Menig man geeft wel 5000 gulden uit aan een edelsteen, maar heeft nog geen 5000 'centen' uit aan zijn zieleheil.
Vandaar dat PETRARCHA zegt dat edelstenen de grote kracht hebben de geldkisten en geldbuidels van rijke mensen te ledigen.
Menig man geeft wel 5000 gulden uit aan een edelsteen, maar heeft nog geen 5000 'centen' uit aan zijn zieleheil.
Vandaar dat PETRARCHA zegt dat edelstenen de grote kracht hebben de geldkisten en geldbuidels van rijke mensen te ledigen.
Bron
H. Pleij, J. van Grinsven, D. Schouten & F. van Thijn: Een Nyeuwe Clucht Boeck. Een zestiende-eeuwse anekdotenverzameling. Muiderberg 1983.
Commentaar
1554
Bron: Pauli, Schimpf und Ernst 164.
Naam Overig in Tekst
Petrarca.   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
