Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVUNL313 - Het spook van de Kollenberg

Een sage (mondeling), april 1937

Hoofdtekst

Het spook van de Kollenberg

Mijn vader, die het weten kon, omdat hij als geboren 'lamäker' in zijn jonge tijd jaren in de omgeving van 'de Kollenberg' had doorgebracht, vertelde ons kinderen, in de zalige tijd 'dat nog een jongenskiel om onze schoud'ren glijdt', vaak spookgeschiedenissen, die ons de haren op 'de kruun' deden rechtstaan. Alhoewel het zeer lang geleden is, zie ik hem, die anders nogal van een grap hield, met een ernstige trek op het gelaat daar vóór mij zitten, terwijl hij ons de avonturen van 'den Dol' vertelde. 'Den Dol' (of het een spotnaam dan wel de familienaam van de held der geschiedenis is, laat ik in het midden), den Dol dan was een in zijn jeugd algemeen bekend landloper uit Leyenbroek. Zoals de meesten van zijn soort, was hij voor niets of voor niemand bang. 'Sjtranjk', vrees, had hij voor 'geine'. En dat stak hij ook niet onder stoelen of banken, vooral niet wanneer hij ''m gesjpraoke' had, en dat gebeurde van de zeven dagen meestal zes in de week. Zelfs voor de 'vränsrichter' had hij geen ontzag. Want bij zekere gelegenheid dat den Dol voor hem moest verschijnen om getuigenis af te leggen in 'e sjelmsjtök', had hij tot de 'richter' gezegd, toen deze hem erop wees dat hij moest 'sjwäre': 'Sjmäre, heer richter, dat kan den Dol zou goud es de bèste.' 'Neij, sjwäre zèk ich dich,' verbeterde de rechter. En toen deze de beide voorvingers van de rechterhand ophief en hem de eedformule begon voor te zeggen, stak den Dol ook de voorvingers op en ratelde met grote snelheid de eed in dezer voege af:
'Ich sjwär einen eijd
Tössje wit en zjwarjt.
Tössje de kop en de sjtarjt
Van de krommen Hens z'n geijt.'
De rechter moest er zelf mee lachen. Daar hij een gemoedelijk man was en nogal gemakkelijk met zijn pappenheimers kon omspringen, gelukte het hem toch den Dol de gevorderde eed te doen afleggen.
Nu was den Dol op zekere nacht, van zijn zwerftocht terugkerende, in de Kollenberg verzeild geraakt. Hoe dat gebeurd was, daarvan kon hij zichzelf geen rekenschap geven.
Met zijn onafscheidelijke 'kuujl' gewapend, trok hij voort, om zijn oude, vervallen hut op te zoeken, die ergens in de omgeving stond. Met zijn scherpziende stropersogen zocht hij zijn weg langs de smalle kronkelpaden van de Kollenberg, aan weerskanten met dicht struikgewas begroeid, door zijn onzekere gang telkens in onzachte aanraking komende met de takken van struiken en dorens, die hem soms in de verwilderde baard bleven haken of zijn gezicht striemden. Den Dol was geen heilige. Het 'vlouke en banne' hoefde hem niemand te leren. Het ging hem even gemakkelijk af als de 'Vaderons', die hij alleen pro forma aframmelde om bij de 'klanjte' de beoogde aalmoes machtig te worden, die hij, wanneer hij genoeg 'örjtes' bij elkander had geschooid, 'doorewäg' in 'e groot pötje sjnaps' omzette, waarin hij zich, om de smaak wat pittiger te maken, nog een flinke dosis peper liet mengen.
Uit 'sjnäpskes mit päper' en 'n korst brood bestond zijn dagelijks rantsoen. Geen wonder dat den Dol op een gegeven ogenblik tijdens die nachtelijke tocht te midden van de om hem heersen- de duisternis en de woeste wildernis 'seines Weges unsicher' werd.
Dat was hem nog nooit overkomen. Want onder normale omstandigheden was den Dol in de Kollenberg even goed thuis als in Leyenbroek zelf, dat de eer genoot hem onder zijn inwoners te tellen.
Toen hij dan ook lange tijd 'rondj getaffeld' had en hij maar niet uit die 'verwunsjte Kollenberg' kon geraken, schoot hem het bloed naar het hoofd en begon hij te 'vlouke en te sjwäre' dat het kraakte.
Want, zoals gezegd, den Dol was niet bevreesd voor 'dr duijvel en ze mour'.
Toen echter gebeurde er plotseling iets heel vreemds. Nadat hij weer zo'n serie van 'vluijk' en krachtformules had afgetrokken, begon het in het struikgewas rondom onheilspellend te waaien, eerst matig, daarna al wilder en woester. Door de lucht klonk akelig geschreeuw, waaruit den Dol: Ao! doe! Ao! doe! meende te kunnen maken. Maar bang was hij niet. Giftig als een getergde beer, wrong hij de dikke 'prengel' tussen de pezige vingers en stelde zich in 'postuur' om de vermoedelijke nachtelijke belager met de met ijzer beslagen onderkant op de kop te beuken, terwijl hij de grimmige kaken op elkander klemde.
Naarmate de geluiden rondom hem heen woester werden, naar dezelfde mate schoot den Dol het bloed wilder door het lijf en bulderde hij tegen het geloei van de storm en het gedreig der sarrende schreeuwstemmen in, zijn met vloeken doorspekte strijdroep: 'Doe, doe!... Wat wils toe! Vertuin dich! Sjpook, heks of duijvel, wä's te bès, kom hiej hèr, wenn's te courage hast!'
Maar het antwoord was geen ander dan: Ao! doe! Ao! doe! gevolgd door een schimpend gelach, dat opdaverde tegen de woedende stormvlagen in het hout. Als een razende faun begon den Dol met zijn knuppel links en rechts naar de onzichtbare geesten, wier geluiden hij nu eens voor, dan achter en boven zijn hoofd meende te horen, rond te 'foechtelen' maar zijn slagen werden gebroken door de te dicht nabijstaande takken en het dichte gebladerte. Het zweet liep hem met grote druppels langs knevel en baard en over de rug, zijn benen begonnen hun dienst te weigeren, zijn krachten verminderden, maar nog gaf den Dol geen krimp.
Als een woeste stier sprong hij vooruit, achteruit, altijd onder het uitstoten van rauwe vloeken en uitdagende kreten. Als hij zijn onzichtbare vijand van voren een verpletterende stoot of slag meende toegebracht te hebben, dacht hij zich van de rugzijde weer door een nieuwe aanrander besprongen, die hij dan op zijn beurt weer trachtte onschadelijk te maken.
Dat ging zo een tijd lang door. Zijn keel werd er droog van, zijn armen werden slap, zijn vingers konden de prengel nauwelijks meer in hun greep knellen. Den Dol voelde het aankomen. Hij zou het niet lang meer tegen de hem van alle kanten bespringende, onzichtbare belagers kunnen volhouden. Nog eenmaal beproefde hij zijn wegvlietende krachten te verzamelen. Met een vervaarlijke sprong wilde hij door de kring van boze geesten heenbreken en voortstormend de uitgang van het pad bereiken. Hij maakte de sprong, maar voelde zich plotseling naar beneden 'toemele', waar hij aan de voet van een struik roerloos bleef liggen.
Den Dol viel van 'z'ne cinter'. Hij wist niets meer, alle gevoel van de werkelijkheid was uit hem geweken. Hoe lang hij daar gelegen had, daarvan kon hij zich geen rekenschap geven. Toen hij weer tot bewustzijn kwam, hoorde hij in de nabijheid het kraaien van een haan, en in de verte klonk hondegeblaf. Uitgeput raapte den Dol zich zo goed en zo kwaad als het ging weer bijeen, en sloeg de richting in vanwaar hij de geluiden gehoord had. Het was nog vroeg in de morgen, toen hij op de 'haof' verscheen. Men zag het hem aan, dat hem een vreselijk avontuur overkomen was. Zijn uiterlijk verwekte algemeen medelijden en men haalde hem in de keuken, waar hij van spijs en drank voorzien werd.
Nadat hij met een stevig ontbijt 'z'ne nuichtere gebraoke' had, begon hij te vertellen wat hem overkomen was. En hij besloot zijn griezelig verhaal met de woorden:
Op het krehe van d'n haan
Bin ich aangegangen,
En 't woar op 't gebel van den honjn
Dat ich d'n haof weer vonjn.'
Niemand twijfelde aan de echtheid van de door den Dol opgediste spookgeschiedenis. Men was algemeen overtuigd dat hij zich met 'Reubsaot' (Rübezahl) 'gesjlage' had. 'De mooder zeeliger' maakte de opmerking dat het 'bèter waor gewès, went 'r drie keijr e kruuts gemaak hauw' om de boze geesten op de vlucht te drijven.
Alleen 'de vader zeeliger' haalde de schouders op en zei later, toen den Dol vertrokken was, dat 'de kèl te veul sjneiver mit päper gepaaf hauw', en ten gevolge daarvan 'ene richtige' aanval van delirium tremens doorstaan had.

Beschrijving

Man voert op de Kollenberg een gevecht met een onzichtbare tegenstander.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 154-157 N°8.2

Commentaar

april 1937
A. Wehrens, "Limburgse Sagen", in: De Nedermaas jg. 9 N°9 (april 1937), pp. 167-169

Naam Overig in Tekst

Kollenberg    Kollenberg   

Den Dol    Den Dol   

Leyenbroek    Leyenbroek   

Reubsaot (Rübezahl)    Reubsaot (Rübezahl)   

Datum Invoer

2013-03-01 14:50:22