Hoofdtekst
Het spook in het 'gesenk' (daling)
In een reeds lang buiten bedrijf gestelde daling werden alle mogelijke schrikaanjagende geluiden gehoord. Al ras kreeg dit gedeelte van de mijn de naam dat het er spookte. Velen waagden zich niet meer alleen in de oude daling en verschillenden hadden reeds van alles en nog wat gezien. Het lijdt geen twijfel dat de verhalen sterk overdreven werden; dit verhinderde echter niet dat niemand meer wilde werken in deze daling. Nu wilde het geval dat in deze daling een andere gang moest uitkomen, die men bezig was te drijven en daarom moest de daling voortdurend leeggepompt worden. Op het diepste punt van de daling was daartoe een pomp geplaatst, die herhaaldelijk bevaren en gecontroleerd moest worden. Van tijd tot tijd moest ook aan de betimmering gewerkt worden, die hier en daar begon te breken. De opzichter kreeg maar met de grootste moeite een paar kompels ertoe de nodige werkzaamheden te verrichten. Toen ook dezen een keer moesten vluchten en zwoeren daar nooit meer naar toe te zullen gaan, was goede raad duur. De daling moest echter bevaren worden, daar hielp geen jammeren en ook geen klagen aan. Toen de opzichter niemand kon vinden die de moed had deze karwei op zich te nemen, moest hij noodgedwongen zelf ernaartoe. Hoewel hij zelf niet al te veel van de sterke verhalen van de mijnwerkers geloofde, was het hem toch een beetje eigenaardig te moede, toen hij moederziel alleen naar het verlaten oude werkpunt wandelde. De moed erin houdende door een beetje te neuriën, begaf hij zich op weg en kwam ook zonder iets verdachts gezien of gehoord te hebben bij de pomp aan. Na alles in orde bevonden te hebben, wilde hij de terugtocht aanvaarden, toen hij plotseling een door merg en been dringende kreet hoorde. Verstijfd van schrik bleef hij als aan de grond genageld staan. Hij hoorde en zag echter niets. Zichzelf voor ezel uitscheldende en denkende een prooi van zijn verbeelding te zijn geworden, ging hij weer op weg en nu een beetje haastiger dan de eerste keer. Hij wilde zo gauw als mogelijk bij zijn mensen komen. Het koude zweet was hem uitgebroken. Toen hij enige passen gedaan had, hoorde hij weer deze akelige schreeuw en thans veel korterbij. Hij bleef nu niet meer staan, doch zette het op een lopen. Achter zich hoorde hij schreden, die steeds nader kwamen, begeleid door een hels, afschuwelijk lachen, dat niet eindigde voordat hij helemaal uit de daling was. Koude rillingen liepen over zijn rug en iedere keer meende hij een grijphand in zijn keel te voelen. Bleek en geheel ontdaan, kwam hij op een post en vertelde met zenuwachtig vibrerende stem zijn wedervaren. Boven gekomen, bracht hij rapport uit bij de baas en vertelde er tevens bij dat men hem met geen 10 paarden naar die daling zou krijgen.
De hele geschiedenis was gauw bekend, en niemand, die er nog aan twijfelde dat hier de mijngeest rondwaarde. Veel oude mijnwerkers geloven nog steeds dat het de berggeest is geweest, die de opzichter de stuipen op het lijf gejaagd had. Anderen deden mij de volgende oplossing aan de hand: Een jonge vreemde kerel zonder geloof en bijgeloof, was voor zijn particulier genoegen af en toe in deze daling gekropen om zijn bijgelovige kompels schrik aan te jagen. Met de opzichter kon hij het niet goed vinden en toen hij dan ook hoorde, dat de opzichter alleen naar deze daling zou gaan, nam hij zijn kans waar op de ons bekende manier. Verborgen in een stoot, wachtte hij de komst van de opzichter af en liep achter hem aan, toen deze vluchtte. Dit zou hij bij een borrelfuifje in een café verteld hebben. Velen zijn echter van mening, dat die kerel maar opsnijden wilde en er wel degelijk de mijngeest gespookt had.
In een reeds lang buiten bedrijf gestelde daling werden alle mogelijke schrikaanjagende geluiden gehoord. Al ras kreeg dit gedeelte van de mijn de naam dat het er spookte. Velen waagden zich niet meer alleen in de oude daling en verschillenden hadden reeds van alles en nog wat gezien. Het lijdt geen twijfel dat de verhalen sterk overdreven werden; dit verhinderde echter niet dat niemand meer wilde werken in deze daling. Nu wilde het geval dat in deze daling een andere gang moest uitkomen, die men bezig was te drijven en daarom moest de daling voortdurend leeggepompt worden. Op het diepste punt van de daling was daartoe een pomp geplaatst, die herhaaldelijk bevaren en gecontroleerd moest worden. Van tijd tot tijd moest ook aan de betimmering gewerkt worden, die hier en daar begon te breken. De opzichter kreeg maar met de grootste moeite een paar kompels ertoe de nodige werkzaamheden te verrichten. Toen ook dezen een keer moesten vluchten en zwoeren daar nooit meer naar toe te zullen gaan, was goede raad duur. De daling moest echter bevaren worden, daar hielp geen jammeren en ook geen klagen aan. Toen de opzichter niemand kon vinden die de moed had deze karwei op zich te nemen, moest hij noodgedwongen zelf ernaartoe. Hoewel hij zelf niet al te veel van de sterke verhalen van de mijnwerkers geloofde, was het hem toch een beetje eigenaardig te moede, toen hij moederziel alleen naar het verlaten oude werkpunt wandelde. De moed erin houdende door een beetje te neuriën, begaf hij zich op weg en kwam ook zonder iets verdachts gezien of gehoord te hebben bij de pomp aan. Na alles in orde bevonden te hebben, wilde hij de terugtocht aanvaarden, toen hij plotseling een door merg en been dringende kreet hoorde. Verstijfd van schrik bleef hij als aan de grond genageld staan. Hij hoorde en zag echter niets. Zichzelf voor ezel uitscheldende en denkende een prooi van zijn verbeelding te zijn geworden, ging hij weer op weg en nu een beetje haastiger dan de eerste keer. Hij wilde zo gauw als mogelijk bij zijn mensen komen. Het koude zweet was hem uitgebroken. Toen hij enige passen gedaan had, hoorde hij weer deze akelige schreeuw en thans veel korterbij. Hij bleef nu niet meer staan, doch zette het op een lopen. Achter zich hoorde hij schreden, die steeds nader kwamen, begeleid door een hels, afschuwelijk lachen, dat niet eindigde voordat hij helemaal uit de daling was. Koude rillingen liepen over zijn rug en iedere keer meende hij een grijphand in zijn keel te voelen. Bleek en geheel ontdaan, kwam hij op een post en vertelde met zenuwachtig vibrerende stem zijn wedervaren. Boven gekomen, bracht hij rapport uit bij de baas en vertelde er tevens bij dat men hem met geen 10 paarden naar die daling zou krijgen.
De hele geschiedenis was gauw bekend, en niemand, die er nog aan twijfelde dat hier de mijngeest rondwaarde. Veel oude mijnwerkers geloven nog steeds dat het de berggeest is geweest, die de opzichter de stuipen op het lijf gejaagd had. Anderen deden mij de volgende oplossing aan de hand: Een jonge vreemde kerel zonder geloof en bijgeloof, was voor zijn particulier genoegen af en toe in deze daling gekropen om zijn bijgelovige kompels schrik aan te jagen. Met de opzichter kon hij het niet goed vinden en toen hij dan ook hoorde, dat de opzichter alleen naar deze daling zou gaan, nam hij zijn kans waar op de ons bekende manier. Verborgen in een stoot, wachtte hij de komst van de opzichter af en liep achter hem aan, toen deze vluchtte. Dit zou hij bij een borrelfuifje in een café verteld hebben. Velen zijn echter van mening, dat die kerel maar opsnijden wilde en er wel degelijk de mijngeest gespookt had.
Onderwerp
TM 3118 - De Berggeest (het mijnspook)   
Beschrijving
Een mijnopzichter, die niet erg in de sterke verhalen van de mijnwerkers gelooft, moet als niemand anders wil zelf afdalen in de spookmijn om de pomp te herstellen. Hij krijgt de schrik aardig te pakken, maar of het nu een spook was of iemand die hem te grazen wilde nemen?
Bron
Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 169 N°9.12
Motief
E336.a   
K1833 - Disguise as ghost.   
Commentaar
november 1943
H.H. Bindels, "Iets over geesten en spoken in de mijnen", Frankenland jg. 1 N°2 (november 1943), 38f
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
