Hoofdtekst
Ossaart
Het zal tien uur geweest zijn, toen De G., van Kapellebrug van de kermis van "Drie Schouwen" terugkwam. Het regende dien avond een beetje, zoodat de grond drassig was, vooral op de hinnenpaadjes door de velden.
Hij was al dicht hij huis, toen hij achter zich hoorde stappen, zeker iemand die denzelfden kant uit moest. Het plensen kwam naderbij, en opeens liep er een dier 'n paar stappen van hem af. 't Had de gedaante van een kalf, met oogen zoo groot als drinkkopjes, die glinsterden als groote glazen knikkers en 't liep zoo dicht hij hem, dat 't tegen z'n jas schuurde. Op dat oogenblik keek hij er naar, maar daarna durfde hij zijn oogen er niet meer op richten. Zijn haren rezen steil op z'n hoofd en 't zweet liep hem tappelings van het lichaam. Hij zette het zoo hard hij kon op een loopen.
Steeds hoorde hij 't plensen naast zich, tot hij hij zijn huis was en naar binnen vloog. Zijn vader kwam naar beneden en vroeg nog wie met hem meegekomen was, en waarom hij zoo hard liep.
Dienzelfden avond kon hij dat niet vertellen, zoo hevig was hij geschrokken.
Ja, en dat zal vijftig jaar geleden gebeurd zijn.
Een jaar later ongeveer kwam hij van een kermis van de "Kiekenhaag". 't Was één uur in den nacht, en hij was nog een uur van huis af.
Nadat hij een kwartier geloopen had, zweefde ineens een gedaante van een kalf voor hem op den weg. 't Had weer zulke verschrikkelijke oogen.
Hij zette 't op een loopen en heeft den heelen weg aan een stuk doorgerend.
Het zal tien uur geweest zijn, toen De G., van Kapellebrug van de kermis van "Drie Schouwen" terugkwam. Het regende dien avond een beetje, zoodat de grond drassig was, vooral op de hinnenpaadjes door de velden.
Hij was al dicht hij huis, toen hij achter zich hoorde stappen, zeker iemand die denzelfden kant uit moest. Het plensen kwam naderbij, en opeens liep er een dier 'n paar stappen van hem af. 't Had de gedaante van een kalf, met oogen zoo groot als drinkkopjes, die glinsterden als groote glazen knikkers en 't liep zoo dicht hij hem, dat 't tegen z'n jas schuurde. Op dat oogenblik keek hij er naar, maar daarna durfde hij zijn oogen er niet meer op richten. Zijn haren rezen steil op z'n hoofd en 't zweet liep hem tappelings van het lichaam. Hij zette het zoo hard hij kon op een loopen.
Steeds hoorde hij 't plensen naast zich, tot hij hij zijn huis was en naar binnen vloog. Zijn vader kwam naar beneden en vroeg nog wie met hem meegekomen was, en waarom hij zoo hard liep.
Dienzelfden avond kon hij dat niet vertellen, zoo hevig was hij geschrokken.
Ja, en dat zal vijftig jaar geleden gebeurd zijn.
Een jaar later ongeveer kwam hij van een kermis van de "Kiekenhaag". 't Was één uur in den nacht, en hij was nog een uur van huis af.
Nadat hij een kwartier geloopen had, zweefde ineens een gedaante van een kalf voor hem op den weg. 't Had weer zulke verschrikkelijke oogen.
Hij zette 't op een loopen en heeft den heelen weg aan een stuk doorgerend.
Onderwerp
SINSAG 0256 - Plagegeist (in Tiergestalt) erschreckt späten Wanderer (und begleitet ihn).
  
Beschrijving
Ontmoeting met 'n spookkalf.
Bron
J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 33-34
Commentaar
voor 1933
verteller in 1860 geboren
Plagegeist (in Tiergestalt) erschreckt späten Wanderer (und begleitet ihn).
Naam Overig in Tekst
De G.   
Ossaart   
Naam Locatie in Tekst
Kapellebrug   
Drie Schouwen   
Kiekenhaag   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
