Hoofdtekst
Wat dood is, moet dood blijven.
De boerderijen op Zeeuwsch Vlaanderen stonden zeer afgelegen. Als het winter was en vroeg donker, kwamen de menschen bij elkaar om den avond te korten. Dan zaten ze om het haardvuur geschaard, en vertelden van heksen en spoken, het eene verhaal al erger dan het andere.
Een boerenknecht, die voor den duvel nog niet bang was en niet aan spoken geloofde, wilde men er eens tusschen nemen. De vrouw zou wafels bakken, maar bemerkte dat ze haar wafelijzer uitgeleend had, aan den boer van de naburige hofstee. Ze vroeg den knecht of hij het ijzer durfde halen, en natuurlijk was hij er dadelijk voor te vinden.
Het was een stikdonkere avond; hij ging ook over een plank, die over de droge sloot bij de hoeve lag, maar zag niets. Toen hij echter terugkwam met het wafelijzer en weer over de plank wilde gaan, zag hij een witte gedaante zich oprichten in de sloot onder hem. Maar de knecht zei: "Wat dood is, moet dood blijven," en gaf het een slag met het ijzer, dat het in elkaar zakte, en geen teeken van leven meer gaf.
Met ongeduld verwachtte men den knecht terug. Zou hij half dood van schrik komen binnenvallen?
Maar hij deed net als anders, en repte niet over zijn ontmoeting.
Ze begonnen ongerust te worden, en een van hen vroeg ten leste of hij ook iets gezien had. "Ja," zei hij, "in de dulf zag ik een wit spook, maar ik heb het een slag met het wafelijzer gegeven, dus die zal geen kwaad meer doen, hoor."
Allen stormden naar buiten, naar de sloot, maar het was al te laat. De zoon van den boer die met een wit laken over zijn hoofd voor spook had gespeeld, was zoo dood als een pier.
De boerderijen op Zeeuwsch Vlaanderen stonden zeer afgelegen. Als het winter was en vroeg donker, kwamen de menschen bij elkaar om den avond te korten. Dan zaten ze om het haardvuur geschaard, en vertelden van heksen en spoken, het eene verhaal al erger dan het andere.
Een boerenknecht, die voor den duvel nog niet bang was en niet aan spoken geloofde, wilde men er eens tusschen nemen. De vrouw zou wafels bakken, maar bemerkte dat ze haar wafelijzer uitgeleend had, aan den boer van de naburige hofstee. Ze vroeg den knecht of hij het ijzer durfde halen, en natuurlijk was hij er dadelijk voor te vinden.
Het was een stikdonkere avond; hij ging ook over een plank, die over de droge sloot bij de hoeve lag, maar zag niets. Toen hij echter terugkwam met het wafelijzer en weer over de plank wilde gaan, zag hij een witte gedaante zich oprichten in de sloot onder hem. Maar de knecht zei: "Wat dood is, moet dood blijven," en gaf het een slag met het ijzer, dat het in elkaar zakte, en geen teeken van leven meer gaf.
Met ongeduld verwachtte men den knecht terug. Zou hij half dood van schrik komen binnenvallen?
Maar hij deed net als anders, en repte niet over zijn ontmoeting.
Ze begonnen ongerust te worden, en een van hen vroeg ten leste of hij ook iets gezien had. "Ja," zei hij, "in de dulf zag ik een wit spook, maar ik heb het een slag met het wafelijzer gegeven, dus die zal geen kwaad meer doen, hoor."
Allen stormden naar buiten, naar de sloot, maar het was al te laat. De zoon van den boer die met een wit laken over zijn hoofd voor spook had gespeeld, was zoo dood als een pier.
Onderwerp
SINAT 0942* - Die vermeintlichen Geister (Teufel) betrogen   
Beschrijving
Op een koude winteravond willen de boeren een knecht te pakken nemen die niet in spoken gelooft. Hij zal voor de boerenvrouw het wafelijzer ophalen bij een verder gelegen boerderij. Op de terugweg ziet hij onder zich in de sloot een witte gedaante. "Wat dood is, moet dood blijven", en hij geeft een slag met het ijzer. Als de boeren vragen of hij niets gezien heeft en het verhaal horen, haasten ze zich naar de sloot. Te laat, want de verklede boerenzoon is al dood.
Bron
J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 355-356
Commentaar
voor 1933
Die vermeintlichen Geister (Teufel) betrogen
Naam Locatie in Tekst
Zeeuws-Vlaanderen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
