Hoofdtekst
Daar was eens een mannetje
Die veegde zijn stalletje, enz.
Iets dergelijks vond ik bij een jongen uit Delft en wel:
Daar was ereis een mannetje, die was niet wijs
Hij bouwde een huisje op 't ijs
Toen dat huisje klaar was
Toen wou hij, dat hij een hennetje had
Hoe dat hennetje heeten zou?
Prijs heet het hennetje
's Avonds in de kattekooi
's Morgens in een bennetje.
Toen hij dat hennetje had
Wou hij dat hij een haantje had
Hoe dat haantje heeten zou
Koekelekanes heet mijn haan
Prijs heet het hennetje, enz.
Toen hij dat haantje had
Wou hij dat hij een zwaantje had
Hoe dat zwaantje heeten zou
Witte veeren dragen mijn zwaan
Koekelekanes heet mijn haan, enz.
Toen hij dat zwaantje had
Wou hij dat hij een kalfje had
Hoe dat kalfje heeten zou
Dikkedalf heet mijn kalf
Witte veeren dragen mijn zwaan, enz.
Toen hij dat kalfje had
Wou hij dat hij een koetje had
Hoe die koe wel heeten zou
Boeboe heet mijn koe
Dikkedalf heet mijn kalf, enz.
Zoo gaat 't voort. Telkens wordt een nieuw woord er bijgenomen en de laatste regels van 't vorige vers volgen, zoodat 't laatste coupletje luidt:
Toen hij die meid had
Wou hij dat hij een knecht had
Hoe die knecht heeten zou
Welberecht heet mijn knecht
Welbereid heet mijn meid
Welbemind heet mijn kind
We[l]berouw heet mijn vrouw
Welgedragen heet mijn wagen
Vlasstaart heet mijn paard
Boeboe heet mijn koe
Dikkedalf heet mijn kalf
Witte veeren dragen mijn zwaan
Koekelekanes heet mijn haan
Prijs heet het hennetje
's Avonds in de kattekooi
's Morgens in een bennetje.
Onderwerp
AT 2010 I A - The Animals with Queer Names   
ATU 2010IA - The Animals with Peculiar Names   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
J. Nijman   
De Jonge Lezer   
Prijs   
Koekelekanes   
Dikkedalf   
Wleberecht   
Vlasstaart   
Welberouw   
Welbemind   
Welbereid   
Welberecht   
Naam Locatie in Tekst
Delft   
Boeboe   
