Hoofdtekst
Capiteyn de Wilde, eens gasten in den herberge tracterende, commandeerde voor den ouden droes weg, alsoo hij seer beschoncken was, en 't was al wat er brack of quijt raeckte, set het op 't gelag. Yder vertrock en hij bleef daer slaepen. 's Nachts komt de brandt in huys. Sijn knecht komt hem met vreesselijck geschreeuw wacker maecken, roepende: 'Och mijnheer mijn, op, op, de herberg staet in brandt!' R. 'Bruyt heen jongen, laet mij slaepen.' R. 'Och mijnheer, het huys staet in lichten brandt!' R. 'Schrijft het op 't gelag.'
Beschrijving
Kapitein de Wilde was zich aan het bezatten in de herberg. Alles wat stukging of zoekraakte, liet hij op de rekening zetten. 's Nachts toen hij lag te slapen brak er brand uit. Toen zijn knecht hem kan wekken antwoordde De Wilde dat het maar op de rekening gezet moest worden.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
De Wilde   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
