Hoofdtekst
Twee bedelaers kregen harde woorden tegens malkander. Op 't lest quam er uyt: 'Ghij liegt'. De ander hief zijn kruck op, geduyrig over dat woord dreygende, Knapsack ontkende en Krombeen bleef erbij en sarde Knapsack soolang dat hij eyndelijck in opgeblaesen toorn uytbarste: 'Ghij liegt het dat ick het geseyt hebbe.' R. 'Nu is 't wel, dat ik oock wist dat ghij het hart hadt om sulx te seggen, ick bruyde u met den kruck de kop in.'
Beschrijving
Twee bedelaars hadden ruzie met elkaar. De een beschuldigde de ander van liegen, die vervolgens dreigend zijn kruk ophief. Krombeen bleef Knapsack sarren, tot deze uitbarstten zei dat de beschuldiging van de ander gelogen was. Krombeen zei toen, dat hij hem ook de kop in zou slaan met zijn kruk als hij alleen het hart had zulke dingen te zeggen (als waar ze ruzie om hadden).
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Krombeen   
Naam Locatie in Tekst
Knapsack   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
