Hoofdtekst
De deurwaerder ... Arentsbergen kreeg een commissie van een groot muytmaker te Dort, die van de heele burgerij gemainteneert wierdt, in Den Haeg op de Voorpoort van het Hof te brengen. Het was wat swaer om uyt te voeren; hij nam dan een jacht met 8 à 10 soldaeten, die hij 1/2 rijcxdaelder daegs gaf en tabacq en wijn (doch bij rantsoen om niet droncken te werden) genoeg, mits dat sij haer soo lang als hij te Dort was, stil en omlaeg souden houden. Hij ging bij sijn object logeeren, alsoo het sijn compeer was. R.'Het is een quaedt teecken als men sulcke luyden siet koomen als ghij. Ik geloof niet dat ghij hier u met een speelreysje komt vermaecken.' R. 'Neen. seker niet, het sal noch den een of den anderen op het hart waeyen, maer nu geldt het Pieter, dan Paulus. Ik vreese van uwentwegen dat de eerste last die ick hier nae toe sal krijgen op uw kap uytdrayen sal.' R. 'Ja, ja, ik set het haer in sessen, in dat requard schijt ick een reys in u en in het Hof oock.' R. 'Spreeck niet te bout, men weet niet watter beuren kan.' Het duurde soo 3 à 4 dagen achtereen dat hij, quantsuys of hij het heel druck hadde, des ochtens voor dag en dauw al uyt was en 's avonds laet weer te huys quam. Eyndelijck op een sondag, 's middags over tafel, klouwde hij sijn hoofdt, sich gelaetende en oock seggende dat de vogel hem ontvlogen was en dat hij meende van dien dgt [sic] te vertrecken. R, 'Eet tenminsten eerst wat.' R . 'Dat verstaet sich, ick heb sulcken haest niet.' Ontrent drie uyren quam de schipper, met dewelcke hij 's ochtens al gesproocken hadde, waerschouwen dat hij nu binnen een uyr voort moest of dat het getij verloopen soude. R. 'Wel compeer, ick bedanck u van alles goeds, sal er noch yets van uw dienst wesen?' R. 'lck bedanck u seer, maer sit noch 1/2 uyrtje en drinckt een glaesje of roockt een pijpje. Ondertusschen gaet de kerck uyt. Dan gae ick wel mee om een wandelingetje en convoyeer u tot het jacht.' R. 'Fiat.' Sij trocken dan saemen nae 't Hoofdt en Arentsbergen stapte in het jacht. R. 'Wel. geluck op uw reys, compeer.' R. 'Wel, wat onbeleeftheyt hadde ick daer schier begaen, ik hadde bijnae vergeten u te bedancken! Weest hooglijck bedanckt voor alle eer en vriendschap en goedendag broeder.' Met stack hij sijn hand uyt, den ander van de kant van de wal insgelijx soo veer als hij reycken kost. Ruck, quam Arentsbergen en hadde hem tegen het jacht aen, doe hem de soldaeten datelijck bijsprongen en hem binnen kregen. Sij staecken vaerdig af in 't aensien van de stadt, die hem naeschreuwde, maar soo ras geen schuyten kost hij de werck krijgen om hem te volgen.
Beschrijving
Deurwaarder Arentsbergen moest een muiter van Dort naar het Hof in Den Haag brengen. Hij deed dit met een list. Hij liet een jacht met een stel soldaten daar in de haven liggen, en ging bij zijn slachtoffer logeren alsof het zijn kameraad was. Hij bleef een paar dagen en deed net of hij het overdag heel druk was. Toen zei hij dat hij wegging, en de 'kameraad' ging met hem mee naar het schip om afscheid te nemen. Toen bedankte Arentsbergen hem zogenaamd en stak zijn hand uit. Zo kon hij de muiter met behulp van de soldaten aan boord trekken en meenemen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Arentsbergen   
Den Haeg   
Voorpoort   
Naam Locatie in Tekst
Den Haag   
Hof   
Dort   
Dordt   
Dordrecht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
