Hoofdtekst
De raedsheer Elias Helt hadde een tonneken oesters vereert kregen, met die les dat soo hij deselve tot den anderen dag wilde goed houden, hij er een natte dweyl moest omslaen. Sijn knecht Abram, smoordroncken, bragt het tonnetje met dese waerschouwing binnen en schoon hij 't huys vol gasten hadde, men resolveert er des anderendaegs noch een vrolijcken dag van te hebben etc. Ondertusschen speelde Abram wat de beest. R. 'Droncken bock, gae nae bedt.' R. 'Waer sal ick leggen, het huys is vol volck en alle de plaetsen zijn beset.' R. 'Gaet, hondsvot', seyde Spronssen, 'op de bloote vloer leggen met het tonnetje onder uw hoofdt, dan zijt gij beyde geholpen.'
Beschrijving
Om een tonnetje oesters goed te houden, moest Elias Helt er een natte dweil omheen slaan. Zijn knecht kwam een keer stomdronken thuis, maar hij kon nergens slapen omdat er veel gasten waren. Spronssen zei toen, dat hij op de grond moest gaan liggen met het tonnetje onder zijn hoofd: dan waren hij en het tonnetje beide geholpen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Jan Spronssen was commies en griffier van de Staten-Generaal en was goed bevriend met Aernout van Overbeke.
Naam Overig in Tekst
Elias Helt   
Abram   
[Jan] Spronssen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
