Hoofdtekst
Bonaventura hadde twee neven die hij opvoede, dat allebey sulcke schoone lichtmissen wierden, dat sij met sijne vermaeningen den draeck staecken. Hij wierdt endelijck gedwongen sijn oog op het rasphuys te werpen, doch hij ging eerst bij de schout om raedt. R. 'Jawel cousin, het is wat gevaerlijck eerlijcke luyden haer kinderen in 't rasphuys te setten, en dat noch soo jong, ondergaet haer noch 2 à 3 mael met woorden, kijven, dreygen etc.' R. 'Och, sij willen nae mij niet hooren.' R. 'Wel, besoeckt het eens, wil het dan niet deugen, soo weet ick er raedt mede, want ick hael de luyden daer sij zijn en breng se daer se hooren.'
Beschrijving
Bonaventura had grote problemen met de opvoeding van zijn twee neven. Zij luisterden niet naar zijn vermaningen, en hij ging bij de schout om raad. Deze zei, dat het gevaarlijk was om kinderen van eerlijke mensen in het rasphuis te zetten. Daarom moest hij eerst nog maar eens met ze proberen te praten. Als het niet zou lukken, zou de schout wel raad met ze weten.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20

