Hoofdtekst
R. 'Hoe mack kan een mensch werden, heer van Zuylichem? Daer is onse Rocus, de voorvechter, gisteren overleden. Och, hij hadde sich soo wel tot sterven bereydt, jae hij wilde geduyrende sijn sieckte van geen droncke drincken of hoeren hoeren spreecken. R. 'Dat geloof ick wel, dat is niet geweest uyt deugd, maer uyt swackheyt. Hij is al sijn leven een overgeven guyt geweest.' R. 'Och, mijnheer, dat was voordesen, maer hij sprack nu soo wel, hij is oock soo stil uytgegaen als een kaers.' R. 'Mij dunckt, ik ruyck het dat de uytgegaene keers noch in de pijp staet en stinckt.' Gemelte heer seyde dickwils: 'Ick vinde geen aerdiger gelijckenis als tusschen een kaers en een mensch: een levend vlammetje in een hand vol dood smeer.'
Beschrijving
Rocus wilde op zijn sterfbed ineens niets meer horen over drank en hoeren. Na zijn dood zei iemand dat dat niet was uit deugd, maar uit zwakheid. Een ander zei, dat hij wel rustiger was geworden, hij was zo stil uitgegaan als een kaars. De overledene zei vaak: "Ik ken geen aardiger gelijkenis dan tussen een kaars en een mens: een levend vlammetje in een hand vol dood smeer."
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Zuylichem [= Constantijn Huygens]   
Rocus   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
