Hoofdtekst
Een vrouw, die nevens een klooster woonde, wilde een gemest hoen op die grondt op vatten.' 'Siet toe', riep Kalfskop tegen sijn moer, 'ik sal altoos uw gast daer niet op wesen.' R. 'Wel hoe soo? Het is mijn eygen goedt dat ick vervolge.' R. 'Siet ghij niet op wat bodem dat het is en het hoen daerom kerckelijcke vrijheyt moet genieten?' R. 'Och, soon, wat komt de geleertheyt een mensch te passe, ick bedancke u seer dat ghij een doodelijcke sonde van ons huys hebt afgekeert.'
Beschrijving
Een vrouw woonde naast een klooster en probeertde een hoen te vangen. Haar zoon zei, dat ze dat niet moest doen omdat het hoen op het erf van het klooster kerkelijke vrijheid genoot. De vrouw bedankte hem omdat hij had voorkomen dat zij een dodelijke zonde beging.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Kalfskop   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
