Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

OVER0588

Een mop (boek), derde kwart 17e eeuw

Hoofdtekst

Een vrijster die bij haer petemoey woonde, wiert gevrijt van één die de vrienden ten wedersijden voor een deugdelijck jongman bekent was. Haer peet bepraete haer met beloften van haer erfgenaem te maken etc. Maer doe men na de bruyloft sprack van na bedde te gaen, dede sij niet als huylebalcken en sij was van haer obstinaet voorneemen niet te versetten. Petemoey gaf weer de schoonste beloften en sprack haer een hart in ' t lijf en seyde dat de bruydegom haer alles goets soude doen. Ja, dat het haer tot aen 't hartjen toe soude kittelen etc. Sij raeckte te bedt, daer sij na veel sporreling vrouw wiert. 's Ochtens komt petemeuy: 'Wel nichjen, mag ik sonder liegen tegens Jan nu cousyn seggen?' Nichjen beantwoorde haer niet grimbecken. R. 'Wat schort er?' Eyndelijck quam er uyt: 'Gij hebt mij bedrogen.' R. 'Ick u bedroogen, dat weet je wel beeter?' R. 'Ja gij hebt mij bedroogen.' R. 'Waerin, mijn kint? Secht het mij.' R. 'Gij seyt mij dat het mij tot aen mijn hartjen soude goet doen en het is qualijck halfwegen mijn navel gekomen.'

Beschrijving

Een vrijster zag erg op tegen haar huwelijksnacht. Haar petemoei stelde haar gerust en zei haar dat het haar tot aan haar hart zou plezieren. De ochtend erna was het meisje echter erg teleurgesteld: het kwam nauwelijks halverwege haar navel.

Bron

Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991

Commentaar

Derde kwart zeventiende eeuw

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20