Hoofdtekst
Een wackere dicke tas, die over zee soude vaeren, moest na haer sloep gedraegen werden. Sij ging schrijeling op matroosjes schouders sitten, die over de middel in 't water koomende, om sijn tabaxdoos begon te dencken, die hij strackx uyt sijn sack haelde en in sijn mond stack. In het sloepje komende hadde hij sijn tabacxdoos wel voor den dach, maer den duyvel hadde sich in die schielijckheyt vergaept, soodat sijn mondt scheef bleef staen en hij mede na het groote schip moest vaeren om van een chirurgijn geholpen te werden, daer de fielen seyden dat het soo scheef was door die krachtige treckpleyster in de neck.
Beschrijving
Een matroos moest een erg dikke vrouw door het water op zijn nek naar haar sloep dragen. Onder het lopen pakte hij zijn tabaksdoos uit zijn zak en stak hem in zijn mond. Toen ze bij de sloep kwamen, bleek dat zijn mond scheef bleef staan door de tabaksdoos. Hij moest toen meevaren naar het grote schip om naar een arts te gaan. Daar zeiden ze dat hij zo scheefgetrokken was door die sterke trekpleister die hij op zijn nek had.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20