Hoofdtekst
Een meyt quam tot Amsterdam voor commissarissen om haer geboden te laten aenteyckenen. De heeren, haer bruydegom voor een afgerechten fielebout kennende, seyden: 'Jouw schelm, wij hebben u wel ses maelen wederom gesonden en de gij weet noch seer wel wat gij noch op uwe hoornen hebt, vertreckt terstont uyt ons gesigt ende morgen uyt de stat, soo ghij wel geraeden sijn wilt.' Hij droop stillekens deur. Sij dit siende, seyde: 'Blijven de heeren noch een uyrtjen met malkander?' R. 'Wij geloven ja, vrijster, waerom toch?' R. 'Ick soude een andere bruydegom haelen.' En sooals sij seyde, soo dede sij oock en liet haer geboden aenteyckenen.
Beschrijving
Een vrouw kwam met haar bruidegom om hun geboden te laten aantekenen. De heren stuurden echter de bruidegom uit de stad, om wat hij op zijn geweten had. De vrouw vroeg toen of de heren nog een uurtje tijd hadden, dan zou zij ondertussen een andere bruidegom halen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
