Hoofdtekst
Een roover fatsoenelijck gekleet, raeckte in een herreberch bijgeval aen het bovenste eyndt van de tafel te sitten, daer een kandelaer met een aengesteecke kaers boven sijn hooft stont. De waerd, een schootel met beyde sijn handen binnen draegende, riep aen sijn knecht, die aen taefel oppaste: 'Een dief, een dief!', meenende aen de kaers daer hij na toe sagh. De rover meende dat het op hem gemunt was, liep te post weg.
Beschrijving
Een fatsoenlijk geklede rover kwam in een herberg aan het hoofdeinde van de tafel te zitten. Boven zijn hoofd stond een kandelaar met een brandende kaars. De waard riep naar zijn knecht: 'Een dief, een dief!' Waarmee hij doelde op de kaars. De rover dacht echter dat hij betrapt was en maakte zich uit de voeten.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
'Dief' is volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal ook een woord voor het overbuigende gedeelte van de pit van een kaars dat het kaarsvet doet afdruipen.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20