Hoofdtekst
Een wackere meyt moest met haer varcken waermede haer moeder haer gesonden hadt, na Weynheim weer na huys. Haer buyrvrijer die mede dat padt op moest, geleyde haer. Sij quaemen in een bos, soo quaemen sij van de seven saecken te spreecken, maer sij hielt sich seer weygerig, soodat hij desisteerde. Het bosch ten eynde gekomen sijnde, en sij siende dat hij haer (tegen al haer vermoeden) van die dingen ongemoeyt liet, syde met een diepe sucht: 'Al evenwel, als ik mij wel bedenck, hadt ick u flus dat toegestaen, segt mij een reys waer sij ondertusschen het varcken souden vastgebonden hebben.'
Beschrijving
Een meid was met een varken en haar vrijer op weg naar huis. Ze kwamen door een bos, en de vrijer zag een kans om met het meisje te slapen. Zij wilde dat echter niet, en dat respecteerde hij. Dat had het meisje niet verwacht, en toen ze uit het bos kwamen zei ze: "Ik had je het bij nader inzien wel toe willen staan, maar zeg mij eens waar we ondertussen het varken vastgebonden zouden hebben?"
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Zie ook OVER0106
Naam Overig in Tekst
Weynheim   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
