Hoofdtekst
Den apotheker d' Assigny vertelde hoe hij, met sijn bruyt verlooft sijnde, buyten in geselschap op een wooning met haer was, daer sij malkanderen oock uyr sette om 's nachts bijeen te komen, 'twelck misluckte. R. 'Hoe quam dat bij?' R. 'Die andre prijen dit merckende, speelden mij hondert parten en namen de bruyt met haer achten en leyden se op een kermisbedde in de middel. Ick was soo furieux dat ick evenwel in 't duyster na boven toe liep en tasten d'één voor en d'andre naer, soo suster als nichten en moeyen, den eenen bruy soowel als den andre, maer ick kost wel voelen doe ick mijn bruyt bij 't been hadde. R. 'Je had se misschien meer op die plaets gevoelt?' R. 'Waeragtigh niet.' R. 'Hoe duyvel was 't dan mogelijck te weten in 't duyster?' R. 'Doe ick bij baer quam, kreeg ick noch een soen toe. Maer het beste noch van allen was dat ick des andrendaegs niemant hadde aengeraeckt, want ider seyde met even statige tronie: ''t Is goedt dat hij mij niet gevonden heeft, ick kroop weg.' R. 'Soo dee ick mee.'
Beschrijving
Een verloofd stel was eens op bezoek bij een gezelschap. 's Nachts namen de vrouwen de bruid mee en ze verstopten zich in het donker. De bruidegom ging tastend op zoek naar zijn vrouw, en kon haar vinden doordat zij hem een zoen gaf toen hij haar beet had. De volgende dag deed iedereen alsof zij niet waren aangeraakt door de man: ze waren zogenaamd allemaal weggekropen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
[Gideon] d'Assigny   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
