Hoofdtekst
Een bruydegom hadde wat koeltjes bij sijn dartele bruytje geseten. Sij seyde hem in 't weggaen: 'Brengt, als gij weerkomt, uwe speelnootjes mede.' Hij de bocking voelende, quam ' s and'ren daegs weerom. R. 'Hoe alleenig? Waer sijn de speelnootjes?' Hij druckte haer hand eens en leyde se op een warme plaets, seggende: 'Gij sult de speelnootjes haest gewaer worden.'
Beschrijving
Een bruid vroeg haar bruidegom om de volgende keer als hij bij haar kwam zijn speelgenootjes mee te nemen. Toen zij de keer daarop vroeg waar zijn speelgenootjes waren, legde hij haar hand op zijn kruis en zei dat ze die gauw zou zien.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20