Hoofdtekst
Als een welspreckendt man, anders van de schoonste niet, aen sijn meestresse swoer dat haer beeltenis diep in sijn hartgedruckt stondt en dat hij wenschte van sijn zijde dat de saeck reciproque was: 'Hoe kom ick in uw hart', seyde sij. R. 'Door mijn oogen die er de vensters van sijn.' R. 'Soo sie ick geen kans voor u om in mijn hartte raecken, want voor die koopmanschap die ghij mede brengt, houw ick mijn vensters altoos geslooten.' R. 'Laet ick dan liever de rechte poort ingaen en ick ben versekert dal de koopmanschap u beter sal aenstaen.'
Beschrijving
Een man, welsprekend maar niet bepaald een schoonheid, verklaart zijn liefde aan een vrouw. Haar beeltenis is in zijn hart gebrand en hij zou het zo graag wederzijds zien. Zij vraagt zich af hoe haar beeltenis in zijn hart kan komen. Als hij dan stelt dat dat via de ogen is (omdat die de vensters van het hart zijn), moet de vrouw hem teleurstellen. Voor de koopwaar die hij aanbiedt, houdt zij haar vensters gesloten. Dan biedt de man aan om dan via een andere poort naar binnen te gaan en hij is er zeker van dat die koopwaar haar beter zal aanstaan.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20