Hoofdtekst
Een vrouw, de priester (die een groote stem hadt) op de stoel geweldig hoorende baeren en tieren, begon seer te huylen. De priester, meenende dat hij soo beweegelijck gepreeckt hadt, vraegde haer na de predicatie waerom sij gehuylt hadt. 'Och domine', seyde sij, 'ick hebbe een esel gehadt die gestorven is, die hadde eveleens soo een stem als ghij en doen ick u soo hoorde baeren, begost ick om mijn esel te dencken.'
Onderwerp
AT 1834 - The Clergyman with the Fine Voice   
ATU 1834 - The Clergyman with the Fine Voice.   
Beschrijving
Een vrouw hoort een priester, die een forse stem heeft, op de preekstoel met een enorm geluid praten. De vrouw begint te huilen en na de dienst vraagt de priester, die meent dat haar tranen zijn ingegeven door zijn goede preek, waarom de vrouw toch huilen moest. De vrouw antwoordt dat zij een ezel heeft gehad die helaas gestorven is, maar die op dezelfde manier geluid kon maken als de spreker. Toen zij hem vanochtend hoorde preken, moest zij weer aan haar ezel denken.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
The clergyman with the fine voice
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
