Hoofdtekst
Een boer voor de paep staende om te trouwen, soude de bruydt de trouwringh overlangen. Hij maeckte sijn voorbroeck wat los om se uyt sijn binnebeursjen te krijgen. De bruydt dat siende, teeg al haer best aen 't loopen. Men haelde haer weder. Gevraegt waerom sij soo liep, antwoorde sij: 'Jae, wen he soo doot kan ik em wel.'
Beschrijving
Een boer staat met zijn aanstaande voor de priester om te gaan trouwen en is op het punt om de trouwring te overhandigen. Die heeft hij in een binnenzakje en om ze te kunnen pakken, moet hij zijn broek wat los maken. Als de bruid dat ziet, zet ze het op een lopen. Ze wordt teruggehaald en als men haar vraagt waarom ze het opeens op een lopen zette, zegt ze, dat als hij dat doet, wel weet wat er komen gaat.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20