Hoofdtekst
Jorden reedt alledaeg op een mager kreng van een paert, met een vreeselijck slachswaert aen sijn sijde. R. 'Ghij rijdt niet anders alsof gij St. Joris waert. Ghij zijt na mijn sin qualijck gewaepent, ick soude een boog met pijlen in de handt neemen om de krayen van 't paerdt af te neemen.'
Beschrijving
Jorden rijdt elke dag op een mager, lelijk paard. Hij heeft aan zijn zij een enorm zwaard hangen. Iemand merkt op dat hij rondrijdt alsof hij St. Joris zelf is. Naar de zin van de spreker is hij niet goed bewapend, als hij Jorden was, zou hij pijl en boog ter hand nemen. Daarmee zou hij dan op de kraaien schieten die op het paard afkomen. (Zie opmerkingen)
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
De kraai werd wel gezien als een vogel die op lijken afkomt. (Zie ook Woordenboek der Nederlandsche Taal, s.v. kraai.) Volgens de spreker is het paard dus meer dood dan levend en vliegen de kraaien al rond om zich op het karkas van het paard te kunnen werpen.
Naam Overig in Tekst
St. Joris   
Naam Locatie in Tekst
Jorden   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
