Hoofdtekst
Een heerschop [sic] bij de wagens komende, sag een troep waegeboeven bijeen staen. 'Hoor hier eens, wagenaers', riep hij. R. 'Wat waegenaers, jij ..., je suster en sulck soort van volck mogen wagenaers wesen, maer wij sijn voerluy.' R. 'Hoe mijn suster, wat's dat te seggen?' R. 'Wel jae, je suster seg ik en sulcken soort van volck, die wagen haer naers eer sij eens weeten of't er in magh.'
Beschrijving
Een man komt bij wagens, en ziet daar een groep wagenknechten bij elkaar staan. Hij roept ze aan met de benaming wagenaars (zie opmerkingen). De voerlui voelen zich beledigd en ze roepen terug dat z'n zuster en dergelijk volk wel wagenaars wezen mogen, maar dat zij voerlieden zijn. De man vraagt zich af wat zijn zus ermee te maken heeft. Wel, z'n zus en zulk soort volk, die wagen zich na (nabij) voordat ze weten of het (namelijk de penis) er wel eens in mag. (Zie opmerkingen.)
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
De benaming wagenaars werd doorgaans bijna als scheldwoord werd beschouwd. Het stond min of meer synoniem met onbetrouwbaar en onfatsoenlijk. De grap is gelegen in het feit dat de mannen van de lagere stand de zus van de heer bestempelen als seksueel onverzadigbaar en onfatsoenlijk opdringerig door een woordspeling met het woord wagenaar.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20