Hoofdtekst
'Moertje', sey Trijn, 'segt me wat dat Jan tusschen sen beenen heyt.' R. 'Wel, niemendal.' R. 'Jawel, je selt het me seggen of ick sel 'et selver gaen voelen.' R. 'Hey, tut, tut, malle meyt, het zijn maer een paer eyeren.' R. 'Dat docht me bij mijn ziel oock al, want gisteren brack er één en ick sag het wit tusschen sen beenen deurloopen.'
Beschrijving
'Zeg moedertje,' vraagt Trijn, 'zeg me eens even wat Jan tussen z'n benen heeft.' Moeder: 'Niks.' Trijn: 'Je zult het me zeggen, of ik zal het zelf gaan voelen.' Moeder maant haar dochter tot kalmte: 'Kalm aan, malle meid! Het zijn maar een paar eieren.' Trijn: 'Dat had ik al wel gedacht, want gisteren brak er een en zag ik het wit tussen zijn benen doorlopen.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Trijn   
Jan   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
