Hoofdtekst
Een Antwerpenaer een haering gekogt hebbende, riep Robbert. R. 'Wat belieft ou, Mompierre.' R. 'Seg tegens ou moeyer dat se 't hooft siet en den steert broot en de rest stooft met een suer sausken.' R. 'Wel Mompierre, sullen we dan gasterey hauden?' R. 'Wel lanker, sijt de niet gewent dat men eenen goeyen tofel hauden.'
Beschrijving
Een Antwerpenaar heeft een haring gekocht en roept Robbert. De jongen vraagt wat er van zijn dienst is. De Antwerpenaar: 'Zeg tegen uw moeder dat ze het kop kookt, de staart braadt en de rest stooft met een zure saus.' Robbert: 'Wel meneer, gaan we een uitgebreide maaltijd houden?' Het serieuze antwoord van de man: 'Wel knul (zie opmerkingen), ben je niet gewend dat men een goede maaltijd verzorgt?'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Het woord 'lanker' is blijkens de tekst een aanspreekvorm voor de jongeman. De betekenis van het woord is echter onduidelijk.
Naam Overig in Tekst
Antwerpenaar   
Robbert   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
