Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN002 - Straffe Gods

Een sage (boek), 1918

pl02.jpg

Hoofdtekst

Straffe Gods
Dit is de sage der rijke vrouw van Leiden, die door God werd
gestraft, daar zij haar zuster geen barmhartigheid bewees.
In het jaar 1315 was er groote hongersnood over het land, en Willem
van Holland en Henegouwen, van Zeeland en Friesland, door het volk de
goede Willem genaamd, wist niet, hoe hij de zorg uit zijn rijk moest
wenden, doch toen men hem vertelde van zijn stad Leiden, weende hij.
Gelijk vergift doodde er de honger. De burgers stierven op straat. De
kinderen aan de borst hunner moeders. De Dood bleef in Leiden, niemand
sparend. 't Gras van de straat was reeds gegeten. De wachters aan de
poorten stonden met knikkende knieën.
Er woonden in de stad twee zusters, Anne en Marie. Eertijds hadden ze
samen gehuisd, maar Marie had een man liefgekregen, en ze had Anne
verlaten. Het scheen, of ze in zusterschap niet gescheiden waren,
en of Anne blijde was om Marie's geluk. Echter, wie menschen kent,
weet, dat er vele zijn, dubbel van tale: de taal, die de mond spreekt,
en de gezwegen taal der booze gedachte. Er is een glimlach, welke
den haat verbergt.
Marie kende geen andere taal dan die zij sprak, daarom geloofde ze
hare zuster.

De dagen van den honger kwamen, en éérst was er ellende in de huizen
der armen. Het deerde Marie niet, dat haar vier kinderen voedsel
behoefden: zij en haar man hadden geld gespaard, en ze gaven met
volle handen. De armen loofden haar naam, en men zegende haar met
rijke woorden.
De honger werd machtiger in de stad. Niet alleen de armen, doch reeds
gezellen en meesters der gilden vroegen barmhartigheid. Toen eerst
recht waren het Marie en haar man, die troostten. Ieder was welkom,
en geen hongerige ging ongespijzigd uit haar woning.
De honger liet niet af.
Het was op een avond--en er werd zachtkens aan Marie's deur geklopt.
"Klop ... klop ... klop ..." tot driemalen toe.
"Open niet," fluisterde de man. "Wanneer het boos volk is--"
"Die zóó laat komt," zeide zij met vaste stem, "heeft mij meer noodig
dan een ander."
En ze opende de deur.
Haar zuster stond vóór haar.
"Marie--" kreet ze, "om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik
geen brood geproefd--Help mij."
"Hebt ge geen brood meer?" vroeg Marie verbaasd.
"Neen, want alles, wat ik had, heb ik aan de armen gegeven."
"Zoo dit zoo is--zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar
voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn."
Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.
"Eet en drink en verlaat ons niet meer," zoo zeide zij eenvoudig.
"Ach neen--" riep Anne uit, "ik wil in mijn huis blijven, want wat zou
men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven,
zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid
betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen
mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij
misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds
in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster,
weten kunt: "het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat."
"Zoolang wij te eten hebben--tot de laatste kruimel--zullen we het
met u deelen."
Haar woorden waren haar daden.
Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur,
teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als bedelares moest
kloppen. Zelve zeide zij in de stad, dat Anne en zij tezamen het
brood gaven, en niemand vermoedde de waarheid. Men prees de beide
zusters in éénen adem.
De nood steeg. Een handvol meel moest men met goud betalen. Toen kwam
de tijd, dat ieder gezin voor zichzelf zorgde, en dat niemand zich
bekommerde om 't leed van zijn buurman. Niets, dat den mensch nuttig
kon zijn, spaarde de dood. Doode visschen dreven op het water, het
vee stierf aan vreemde ziekten, het gras was zelfs verdroogd. Boven
de lijdende aarde was de diep-blauwe hemel en de verzengende zon,
dag aan dag. Waaraan had de menschheid zulk een straf verdiend?
Slechts Marie's handen waren nog mild. Waar ze helpen kon, hielp
ze. Met een glimlach zag ze ook voor haar den tijd van rouw
tegemoet. Want wanneer de honger begint over een volk, kent hij
geen einde.
Een avond, dat Anne aan haar tafel zat, deelde Marie het brood. Ze
gaf haren man, haar kinderen en Anne gelijke stukken, doch zij-zelve
nam niet.
Zij aarzelde met spreken, tot allen hadden gegeten. Op dat oogenblik
zeide zij:
"Zijt gij verzadigd, mijn dierbaren?"
Anne antwoordde:
"Zoo gij nog een stuk brood voor mij hebt, wil ik het gaarne."
"Ik kan niet meer geven, want het brood is op."
"Bak dan nieuw."
"Ik kan niet meer bakken, want ik heb geen meel meer."
"Kunt ge dan geen meel koopen?"
"Zoo ik geld had, doch er is niets meer over."
Toornig verhief zich Anne en riep uit:
"Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man
vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan
een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik
ken u en uw streken. Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide:
'die goede Marie,' terwijl men dacht: 'die slechte Anne.' Daarom was
het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel,
al lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid
achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk
ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed."
Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met
moeite zeide zij ten laatste:
"Gij doet me onrecht,"
"Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw
woning. Nu zie ik, wie ge zijt."
Zij verliet 't huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar
haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den
nacht, en voor 't eerst gevoelde men den angst om 't eigen behoud.
Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en
niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij
was armer dan de armsten--immers ze had in dien tijd 't geloof in de
menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had
gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had
genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den
leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde
hij naar 't gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun
smart. Hij drong--al zwijgende--booze, bittere gedachten in hun
ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.
De nood werd zoo sterk in Marie's woning, dat zij ging bedelen om
brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.
Een hunner zeide tot haar:
"Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets
schenken, doch u natuurlijk wel."
"Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles gegeven.
"Geloof dat niet! Uw zuster houdt zich als een arme. Gaat naar
haar toe."
"Zelfs, als uw woorden waar konden zijn, zou ik het niet doen. Mijn
zuster haat mij en zij zal mij niets schenken. Ik deed haar voorzeker
onrecht."
Ze vroeg om een bete broods aan vreemden, en nooit ging ze tot
Anna. Overal weigerde men haar voedsel, en iederen dag kwam zij met
leege handen terug.
Wie het eerst gestorven is--?
Haar man; drie harer kinderen waren begraven, en met één kind was
ze overgebleven.
"Moeder! geef me brood," vroeg het kind.
"Er is geen brood," snikte ze.
"Ga 't halen, moeder."
"Niet sterven, mijn eenigste! O! je moogt niet sterven."
"Moeder, geef me brood.
Dien avond ging ze naar haar zuster's huis. Zij naderde de deur.
"Klop--klop--klop," tot driemalen toe.
Niemand opende. Ze luisterde, of er van binnen geen geluid kwam. Het
bleef stil, als de nacht om haar. Schuchter klopte ze weder.
"Klop--klop--klop--"
De deur bleef gesloten.
Ze peinsde:
"Mijn zuster zal uitgegaan zijn, daar ze geen brood heeft. Dus hebben
de lieden toch gelogen, dat ik bij haar hulp kon vinden."
IJlings keerde ze naar haar woning terug. Het kind lag op den grond,
en verhief zich niet bij haar nadering.
"Moeder," zeide hij met zwakke stem, "Moeder! hebt gij brood? Ik heb
zoo'n honger."
"O! ik kan 't niet geven. Kon ik het van mijn lichaam snijden,
mijn kind--Zoo ik één bete had, zou ik er zelve niets van nemen,
al scheurt mij-zelve de honger mijn ingewanden aan stukken. Moed! De
goede God waakt.
Zij zonk op haar knieën en smeekte om uitkomst.
Wonder! daar was een stem, ruischende, die tot haar sprak:
"Ga morgen in den vroegen ochtend naar uwe zuster Anne. Zij heeft
het brood, dat gij behoeft. Uw goede werken zijn bekend in den Hemel,
en de engelen zingen uwen naam. Zalig zult gij zijn."
Nog twijfelde zij en ze vroeg:
"Anne zette zich aan mijnen disch, en at van mijn brood."
Zoet antwoordde de stem:
"Heb vertrouwen."
Toen stroomden haar de tranen uit de oogen, en snikkende lachte ze
tot haar kind:
"Morgen zal er uitkomst zijn."
Zij doorwaakte den nacht in gebed, haar zoontje aan haar zijde. En
vroeg was het licht. Ze maakte zich gereed voor den tocht, en als
den vorigen avond ging ze naar haar zuster's huis. De deur was
geopend. Zoete baklucht stroomde haar tegemoet.
"Zuster!" zoo riep ze blijde, "heeft iemand u meel geschonken? Zeker
waart ge van plan ten mijnent te komen, en mij rijk te bedeelen,
zooals ik ook u heb gegeven. Ge zult mijn onrecht vergeten, nu ik in
nood verkeer."
Anne zag haar aan, haat in haar oogen.
"Wat zoekt ge bij mij, daar ik u gevloekt heb?"
"Zuster--mijn kind is stervende!"
"Uw kind? Spreekt gij van één kind slechts?"
"God nam mij al het andere. Één slechts bleef mij behouden. Zuster! gij
zijt gezegend, dat ge mijn laatste bezit redden kunt."
"Ik weet niet, wat ge meent."
"Niet voor mezelf kom ik, doch voor mijn kind. Ik wil sterven, zoo
ge weinig hebt; deel dan het overige tusschen u en mijn zoon.
"Ik heb geen brood in dit huis."
"Zuster! er is hier geur van brood--"
"Ik zweer u, dat ik geen brood heb."
Marie zonk op haar knieën neer. Haar handen betastten Anne's kleed.
"Zuster! gij liegt. O! deze leugen zal u nooit vergeven worden. Bij
uw zaligheid ... geef mij brood."
Toen sprak Anne een vreeselijken eed:
"Zoo waarlijk mogen mijn brooden in steen veranderen, wanneer ik ze
heb. Zoo waarlijk moge het meel in mijn vingers tot steen worden,
als ik bak. Ik heb geen brood."
Marie stond op, en legde haar handen aan 't hart. Ze zeide haar de
woorden na met bevende, vreeselijke stem:
"Zoo waarlijk mogen uw brooden in steen veranderen, wanneer gij ze
bakt. Zoo waarlijk moge het meel in uw vingers tot steen worden,
als gij bakt. Amen!"
Zij ging heen, en liet haar, zuster achter.
Nadat zij weg was gegaan, sloot Anna de deur, en met zachte schreden
liep ze naar den oven, waar ze gebakken had. Ze glimlachte, en
ze peinsde:
"Voor mij is het alleen, en niemand zal er aanraken."
Werktuigelijk nam ze een der brooden, welke op tafel dagen. Haar
vingers werden koud.
"Steen!," gilde ze.
Al haar brooden waren tot steen geworden.
Ze wilde het meel bakken. Steen werd het in haar handen.
Ze nam wat geld, dat in haar kasten was. Voor haar goud kocht ze
meel. Steen werd het in haar woning.
Voor haar goud ontving ze steen. Ze stierf van den honger, met
handen vol goud in haar huis. Overal lagen de steenen brooden, het
steenen meel.
Hare zuster echter vond in haar woning brood en meel in overvloed. Zij
spijzigde haar kind, ze spijzigde de armen, en ten laatste haar
zelve. Doch op Anna was de vloek, en háár kon ze niets geven.

Onderwerp

VDK 0751E* - De stenen broden    VDK 0751E* - De stenen broden   

ATU 0751G* - Bread Turned to Stone.    ATU 0751G* - Bread Turned to Stone.   

Beschrijving

In tijd van hongersnood helpt een vrouw armen met eten, en ook deelt ze met haar zuster die jaloers is op haar goede werk. Als ook bij de vrouw geen eten meer heeft verwijt de zuster haar anderen eten te geven en goed te doen om haar te vernederen. In hoge nood bidt de vrouw om uitkomst, en krijgt te horen dat ze naar haar zuster moet gaan want die heeft brood. De volgende ochtend gaat ze naar haar zuster waar de baklucht haar tegemoet komt, maar haar zuster ontkent dat ze aan het bakken is. Haar bezwering dat als ze brood heeft die in stenen mogen veranderen, net als het meel aan vingers, wordt bewaarheid. Al het meel dat ze vervolgens koopt verandert in steen, en ze sterft van honger. De vrouw vindt thuis meel en brood in overvloed.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p. 11

Commentaar

Opmerkingen van Josef Cohen:
STRAFFE GODS (blz. 11-17). De kroniekschrijver François le Petit
vermeldt, dat men een der brooden, welke in steen veranderd waren, in de Sint-Pieterskerk heeft vertoond (zie ook Nederlandsche Legenden met 32 Platen, naar het Fransch!! uitg. 1842).
Tusschenhaakjes ... is het niet meer dan bedroevend, dat de
Nederlandsche Sagen en Legenden eerst heden door mijn hier gegeven poging onmiddellijk in een oorspronkelijken bundel zijn opgenomen? Deze verhalen van zoo aangrijpenden eenvoud, dat men ze lief moet hebben als het leven. En wat is er voor folklore in Nederland tot dusver gedaan? Naast de Nederlandsche Driemaandelijksche Bladen bestond het Vlaamsche tijdschrift "Volkskunde," en verder waren en zijn er
verschillende gewestelijke boeken, periodiekjes en almanakken; maar dit heeft bijvoorbeeld niet kunnen beletten, dat er van de sagen in de Peel zoo goed als niets is overgebleven, en dat van verschillende Groningsche overleveringen ... slechts de laatste zinnen bekend zijn!

In "Straffe Gods" vindt men hetzelfde wraak-gegeven als in "Het
Vrouwtje van Stavoren." Hij, die niet barmhartig is, moet het
boeten. Vreemd, dat het vrouwefiguren zijn: misschien is dit wel,
om de tegenstelling nog scherper te maken.

Een soortgelijk verhaal is te vinden bij Wolf S 254. Hier speelt
het echter in Gent. Het steenen brood wordt vertoond in de
Pharaildiskerk. Het jaar, dat de historie in Gent voorvalt, is 1557.

Naam Overig in Tekst

Willem    Willem   

Anne    Anne   

Marie    Marie   

God    God   

Dood    Dood   

Naam Locatie in Tekst

Holland    Holland   

Zeeland    Zeeland   

Friesland    Friesland   

Leiden    Leiden   

Henegouwen    Henegouwen   

Plaats van Handelen

Leiden    Leiden   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20