Hoofdtekst
Ze konden bij malkander niet komen ....
Hilbert liep fluitend over 't Ellertsveld, en hij dacht aan niets. Van
de andere zijde kwam Japikje, en ook zij dacht aan niets. Toen
ontmoetten zij elkander, en beiden dachten ongeveer hetzelfde.
Hilbert peinsde:
"Dat is een aardig wicht, om een poossien mee te vrijen."
En Japikje dacht:
"Dat is een aardige vent, en vroeg hij me maar, om een poossien
te vrijen."
Hilbert kwam uit het Zuiden van 't Ellertsveld, waar de manskerels
niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, en Japikje uit 't Noorden,
waar de wichten zich niet laten kennen.
Ze gingen elkander voorbij, en Japikje zong:
"Moeder zet mien mussien teregt,
t' Aovend kump mien vraoijer,
Komp ie niet, ik hael um niet,
Al komp ie van mien levent niet."
Zingende antwoordde Hilbert:
"Spien mooi meissien spien
Spienst du niet
Dan wienst du niet
Dan kriegst doe t' aovond oew vraoijer niet."
Ze sloegen zich lollig tegen de dijen, keken om, en lachten tegen
elkaar.
"Hoe heet je?" riep hij voortgaande.
"Alberts Japikje."
"Ik kom Zaterdagavond, om 'n poossien te vrijen."
"Dat mag om mien part wel wezen."
Vervolgens liepen ze weder door, ieder de eigen richting.
Uit vreugde zong Hilbert 't lied van zijn kinderjaren:
"Rondom de ketel!
Wat zullen wi t' aovend eten
Broam, broam, sprikken,
Leêr, leêr, lappien leêr
Doe er uut en ik er weêr."
Uit de verte schalde haar vroolijke stem:
"Haken en oogen,
Tikke, takke, toogen,
Wit pampier
Zwart pampier
Zoo komt Pouwel Jones hier."
Toen tegelijkertijd:
"Lange, lange riegel
Twintig is de stiegel,
Dartig is de riegellang,
Veertig is de ummegang."
Ze keken om, en ieder zag een zwarte stip, dat was de ànder, die den
volgenden Zaterdag zou vrijen.
De week was eindeloos lang. Waren dat gewone etmalen van vier en
twintig uren, en was een uur niet méér dan zestig minuten? Dat was een
plaagzieke zon, die in het Oosten niet wilde rijzen, naar het Zuiden
niet wilde keeren, uit het Zuiden niet wilde dalen. De wijzers der
klok kwamen nooit vooruit, en de koekoek kwam slechts schaarsch uit
zijn huisje. Iedere dag had berouw, dat hij gekomen was.
Ten laatste echter ging de tijd zijn noodzakelijker gang. De
Zaterdagavond verscheen, of hij nimmer geaarzeld had, en Hilbert liep
over het Ellertsveld, naar Japikje toe. Ze wachtte hem reeds.
De avond was donker.
En ach, wat de uren in de afgeloopen week verzuimd hadden, haalden ze
nu in. In een oogenblik vervloeide de donkere avond in den duisterder
nacht. Vóór Hilbert eigenlijk goed begreep, dat Japikje in zijn armen
had gerust, drong het fel-gewapende licht van den dag op tegen den
zwarten burcht aan den horizon, en 't heir der zonnestralen deed
er zijn glorieuse binnenkomste, terwijl zes hanen tegelijkertijd de
blijde overwinning bazuinden.
Woorden had Hilbert niet veel. Hij keek Japikje aan, en vroeg:
"We mosten mit menner [2] wat eten."
Hij wachtte gespannen op haar antwoord. Doch bij haar was het ... wel
vrijen in den avond, doch overdag geen vertrouwelijkheid. Hij zou
't moeten ervaren, hoe er bij een Drentsch meisje, dat haar manieren
kent, een groot onderscheid is tusschen minnekoozen en de liefde;
om van 't huwelijk nog heelemaal niet te spreken. Ze bezag hem wel
minder minachtend dan zij 't haar andere vrijers deed, bij het licht,
doch hij mocht er zich nog niet op beroemen, haar uitverkorene te zijn.
"Mi lust niet, 'k doe bedanken," lachte zij.
"Japikje," vervolgde hij smeekend, en hij streek haar over 't
jak--onwillig liet ze het toe--"ik vind oe zoo'n himmel wicht [3]. Ik
mag oe zoo geern. Och, mien wiggien, mien wiggien [4]. Ben ik geen
knap jonk kerrel? Zullen wij trouwen?"
"Hold op met oew praeties. Ik wil oe niet, en zie, da'j een ander
kriegt."
"Mag ik dan Zaturdagavond weer een poossien met oe vrijen?"
"Nee!"
"Mag ik dan nooit weerom kommen?"
"'t Volgend jaar, niet eerder en niet later. Je mot op denzelfden
dag kommen, en dan wi'k--dan wi'k--" ze schaterde, "met oe trouwen,
allenig met oe." Ze trok hem aan zijn neus, draaide in den ronde,
en liep van hem weg, zonder nog om te zien. Met verwonderde domheid
keek hij haar na, totdat 't laatste tipje verdwenen was.
Den volgenden Zaterdag ondernam hij denzelfden tocht als een
week geleden. Zijn vriend Lammert was meegegaan, omdat hij in 't
Noorden ook eens de wichten wilde zien, en hun gemeenschappelijk
avontuur verbroederde hen. Ze liepen tot aan de boerderij. Alles was
donker. Hilbert kuchte, floot, Lammert klopte tegen 't venster. 't
Was zoo stil, als stonden ze voor een onbewoond huis.
Lammert krabde zich 't hoofd.
"Was ik maar in 't dorp gebleven," peinsde hij wijsgeerig, "daar had
ik met Trientien een puossien kunnen vrijen."
"Waar zou ze wezen?" vroeg Hilbert.
"Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel
nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten."
Eensklaps zagen ze, dat op den weg twee gestalten stonden. Er was
een afrimpeling van hun wezen in het duister, of bij hun beiden even
de nacht ophield, en achter hen de nacht weder begon. Zóó ook ziet
ge des avonds twee boomen aan het stille pad, het donker brekende,
en toch op zichzelf niet lichter dan de lucht.
"Wie zouden 't wezen"? fluisterde Hilbert.
"Ik ken ze in 't Noorden niet, en als 't donker is, zijn alle katten
grauw."
"Mij dunkt, dat 't Japikje is ...."
"Met een vrijer."
"Was maar wat vroeger gekomen, dan had jij haar eerder gezien."
"Stil! stil! ze hoort ons."
"Ze zijn daar menaer aan 't smokken."
"Mien dunkt dat ook."
Ze slopen weg, als twee vossen, die niet bij een kippenhok kunnen
komen. Ze liepen met groote passen over het Ellertsveld, den
genadenloozen lach van het minnend paar achter hen. Hilbert begreep,
dat hij een vol jaar had te wachten, vóór en aleer hij naar het
Noorden van het veld terug behoefde te keeren.
Gelijk de week voorbijgegaan was, zich rekkende als elastiek, net of
er telkens nog weer een dag aan toegevoegd werd, zóó verliep dit jaar,
week aan week, en terwijl 't verleden altijd kort scheen, werden heden
en toekomst eindeloos lang. Er zat geen schot in Hilbert's werk,
want als een magneetnaald wendde hij zich steeds naar 't Noorden,
en tuurde, of Japikje toch niet zou komen. Hij, die vroeger altijd
een voorbeeld was geweest van een struischen, jongen kerel, werd nu
zoo mieserig als een stadsmensch. Zingen en fluiten was eruit bij
hem. 't Klonk niets anders in zijn geest dan "Japikje, Japikje" en
"wat duurt een jaar toch lang."
Één jaar?
Vijf jaar, zes jaar waren er in dat ééne jaar besloten. Maar
gelukkig! ook vijf, zes jaar volgen elkander en gaan voorbij. Als van
het vuur de asch, zoo blijft steeds van den tijd het verleden over,
en er kwam een dag--hei! 't was in de Mei--dat Hilbert zich weder op
weg begaf, naar Japikje toe, in het Noorden van het veld.
Hoe Hilbert gekleed was?
Niet op zijn piekfijnst! In zijn daagsche plunje. Zijn Zondagsche pak
droeg hij over den arm, want dat wilde hij eerst aantrekken, als hij
Japikje's huis zou naderen, want 't stoof leelijk op het witte land,
en zóó kwam hij er des te beter aan. In zijn linker-broekzak had hij
een flesch jenever gestoken, en in zijn rechter een stuk schinken [5],
om den honger te stillen, en den dorst te wekken. Telkens nam hij een
beet en een slok, en halverwege op 't Ellertsveld was 't vleesch op
en de flesch al flink aangesproken.
Hij kwam aan een kuil en stond stil.
Van de ruige hoogte zag hij naar beneden, en op den grond, wriemelend
door elkander, waren honderden kaboutertjes tezamen. Zij hadden het
druk! Tientallen deden niets anders dan hun handen in de hoogte steken,
tientallen stampten met hun voetjes op den grond, anderen gingen af en
aan, 't was een gewirwar, een schuddebotsen, een op en neer getril,
dat je oogen je pijn deden. Ze waren allen eender gekleed: allemaal
in een groen pak en met een groene broek, en witte klompen aan de
voeten. Ze hadden allen grijze baarden, en een heel klein pijpje in
den mond. Dunne rookwolkjes bliezen ze in de lucht.
Ineens zag een hunner Hilbert, hij stiet een ander aan, deze ander
weer een ander, en eindelijk wisten zij het allen, dat er een mensch
bij hen stond. Fluisterend beraadslaagden zij onder elkander. Nu had
een mensch hun geheime vergaderplaats ontdekt! Jarenlang hadden zij
er zich in vrede verzameld, ongestoord, en thans stond er iemand
voor de kuil, en had precies gezien, wat ze deden. En ware het
geweten bij allen maar zuiver geweest .... Liepen er niet onder,
die de boeren op velerlei wijzen hadden geplaagd? Sommigen hadden
allerlei nuttig werk verricht, de vloer in de huizen geveegd, het
linnen gewasschen, de koffie gezet, het vuur aangelegd, doch anderen
hadden de boter bedorven, de melk van de koeien gedronken, het touw
van de geit losgemaakt, de klompen weggezet, en duizend schelmsche
streken uitgehaald. 't Meest van allen vreesde een heel klein dwergje
met een langen baard. Hij kroop gauw achter de anderen weg.
Hilbert van zijn kant was ook niet op zijn gemak. Al waren die
honderden kaboutertje ook nog zoo klein, vereend konden ze hem heel wat
moeilijkheden veroorzaken. Hij had lust terug te keeren .... Hij zou
geen oogwenk hebben geaarzeld, wanneer Japikje hem niet zou gewacht
hebben. Dat het juist op dezen dag geschiedde ....
De twee partijen bleven zwijgend tegenover elkander staan. Toch moest
er iets gebeuren, dat toenadering bracht of afstooting.
Plotseling dacht Hilbert aan de flesch jenever, die hij bij zich
had gestoken. Hij haalde ze te voorschijn, bekeek ze tegen 't licht,
en lachte. De oudste der kabouters, die den langsten baard droeg, en
't grootste pijpje in den mond geklemd hield, grijnsde zoo, dat de
pijp hem bijna uit den mond viel, en klapte in de handen. De overigen
volgden zijn voorbeeld, en aangemoedigd door zijn vriendelijkheid,
ging Hilbert bij hen in de kuil zitten. Alle kabouters verdrongen
zich om hem, behalve het kleine dwergje, dat de menschen altijd zoo
geplaagd had.
De oudste vroeg hem, wat hij op 't veld kwam doen. Hilbert vertelde
de gansche historie, en de deutels [6] knikten allen met hun grijze
kopkes, het hoofdmans-guurke vooraan, behalve dat ééne, booze
aardmannetje weder, dat zich zoo gauw mogelijk ging verstoppen.
"Blijf vanmiddag bij ons," stelde 't oudste kabouterke voor, "dan
heb je nog tijd genoeg, om bij het wicht te komen."
"Jawel," zei Hilbert, "'t is ook wel heel mooi bij jullie, maar ik
moet me nog verkleeden, want ik heb mijn daagsche pak aan."
"Kom, kom--je zult er geen berouw van hebben."
Hilbert vond 't aardig goedje, en hij wou 't tot goed vriend
houden. Want als hij met Japikje ging trouwen, zou hij toch allicht
een eigen boerderij bouwen, en dan kon je eigenlijk niets dan nut
van de kleuters hebben. Ongemerkt zouden ze heel wat werk voor hem
kunnen verrichten. Ze konden alles, de kabouterkes. Niet alleen in
smidswerk waren zij bedreven, doch bakken, boenen, strijken, wasschen,
melken, slachten, ploegen, maaien, zaaien, timmeren, metselen,
koken, beestenvoeren, al, wat in een boerengedoente te pas kwam,
verrichtten zij.
Hij haalde de jeneverflesch voor den dag, en nog dichter kwamen de
guurkes bij hem. Ze klommen bij tientallen op zijn knieën en keken
begeerig naar den kostelijken drank.
"Da's klare jenever," zeide Hilbert, "en nou wil ik dat onder jullie
allemaal verdeelen. Daar hoeft niets van over te blijven. Elk krijgt
zijn deel, de een niet meer dan de ander, en nu opgepast!"
Hij reikte de flesch 't eerst aan den hoofdman, die, de zware vracht
handig tillend, zoodat de kleine vingertjes ze niet konden laten
vallen, ze hoog boven zijn hoofd hield, en behendig een vallenden
druppel in zijn mond ving. De anderen keken nauwlettend toe--en
ziet! ieder kreeg precies een druppel en niets meer.
Ze smakten met de lippen, en hun tongen zochten in de mondhoeken, of
er soms nog een spritseltje was overgebleven. Ze werden allen vroolijk,
dansten hand in hand, en allen waren ze vergeten, dat er nog een klein
kaboutertje bestond, dat nog niets had gekregen. Het had zijn kopje
boven den kuil gestoken, waarin het zich verstopt had--eerst kwam
't voorhoofd met diepe rimpels, toen de glinsterende, graag-kijkende
oogen, toen de snuffelende neus, en eindelijk de mond. Ook hij stak
zijn tong uit, echter niet, omdat hij nog wat wilde likkebaarden,
doch omdat hij van de kostelijke gave verstoken werd. Hij zag, dat
de flesch bij Hilbert lag. Voorzichtig, op zijn handen en voeten
kroop hij erheen. Telkens lag hij even stil, gelijk een rups doet,
die een hinderend takje of boomblad op haar weg vindt. Dan gluurde
hij naar Hilbert, want hij vreesde, dat het mensch hem bij nadering
zou grijpen en aframmelen. Eindelijk was hij bij de flesch.
Hilbert had tot nu toe gedaan, of hij hem niet zag. Toen 't kleine
kaboutertje dichtbij hem stond, en de flesch aan de lippen wilde
brengen, keek hij hem aan en zeide:
"Er is niets meer in."
Meteen begon hij te lachen.
"Dat valt ook niet mee, kabouter."
Het guurke zette een boos gezicht. De rimpels van zijn voorhoofd
trok hij in de hoogte, zijn oogen vernauwde hij, zijn mond zette
hij vooruit. Zijn kleine handjes balde hij tot vuisten, en dreigend
schudde hij ze.
"Dat zal ik je betaald zetten, boer," zeide hij ten laatste.
Hilbert schaterde het uit.
"Probeer 't maar, kleine kleuter, als je kunt."
Niemand van de overige kabouters, die 't veel te druk hadden met zang
en dans, bemerkte, wat er was geschied. Anders hadden ze hem zeker
gewaarschuwd, want het was een gevaarlijk guurke, dat het anderen
terdege lastig wist te maken. Een kwaadaardig en eigengereid ventje,
even listig als hij klein was, de eerste bij plagerijen, de laatste
als een moedige daad moest worden verricht. En bang voor zijn hachje
...! Een echte slechte kabouter was hij. Dien had Hilbert nu tot
vijand! Ware hij maar niet bij het kleine volkje gebleven.
Hij keek glimlachend toe, hoe de kabouters rondom hem sprongen en
dansten, en, toen het eindelijk tijd voor hem werd--hij moest nog
vóór middernacht bij Japikje zijn--drukte hij bij het oudste guurke
zijn spijt uit, dat hij niet langer kon blijven.
"Kom maar gauw bij ons terug," noodigde deze.
"Zeker, zeker, dat beloof ik je."
"En als je ons noodig hebt, kom dan maar héél gauw bij ons. We zullen
je overal mee helpen."
De slechte kabouter stak weer zijn tong uit, en vloog gauw in 't
holletje, om te bespieden, welken kant Hilbert gaan zou.
Zoodra hij het had gezien, sprong hij uit zijn schuilplaats te
voorschijn, en hij hem na! Hij dook als Hilbert zijn gang matigde,
in een groef of spleet, achter een struikje, in een wagenspoor,
en dan draafde hij weer, om den verloren afstand te herwinnen.
Hilbert bleef even voor de Gietensche herberg staan, ging naar binnen,
en deed zijn flesch weer vullen. Hierna kwam hij buiten, keek naar
de flesch, nam een stevigen slok, en trok verder.
Telkens keek hij op zijn horloge, en zuchtte dan. Hij was veel te
lang bij de kabouters gebleven. Hij zou zich moeten haasten. Hij had
zich ook nog te verkleeden. Waarom had hij dat niet in de Gietensche
herberg gedaan? Hij repte zich, wat hij kon. De kabouter had moeite
hem bij te houden: voortdurend moest hij kleine sprongetjes maken,
om geen terrein te verspelen. Hij ook hoopte, dat 't avontuur spoedig
geëindigd zou zijn ... want na twaalf uur 's nachts hebben kwade
geesten geen toovermacht meer ... en 't was al bij tienen.
Wat die mensch ook voor vreemdigheid uithaalde. Hij liep weer een
herberg binnen. 't Kaboutertje keek door de ruiten, wat hij daar in
't schild voerde. 't Zag ... 't Zag, dat Hilbert zijn daagsche pak
uittrok, en 't Zondagsche wilde aanschieten. Op dat oogenblik liep
het haastig de gelagkamer in--door niemand bemerkt en voor Hilbert
begrijpen kon, wat er gebeurde, sprak het een spreuk, en jas, broek
en vest vlogen de deur uit, of ze vleugelen hadden ....
Hilbert liep de vluchtelingen na, niet anders denkende, dan dat een
rukwind ze had medegesleurd, en dat hij ze wel pakken zou, vóór hij
vijf minuten verder was. Ze fladderden hooger dan hij-zelf, en hij
had dus te springen, om ze te bereiken. Het was een storm, zooals hij
er nog nooit een gekend had; alleen, waar de kleeren waren, woei de
rukwind, en met zóó tergende behendigheid, dat jas, broek en vest,
wanneer Hilbert's handen juist lot grijpen stonden, weder opvlogen,
vlugge vogels gelijk.
Hij was eenigszins gerustgesteld, dat ze den kant gingen van Japikje's
huis. Wanneer zij een andere richting hadden gekozen, ware hij zeker
te laat gekomen. Nu was er nog kans, dat hij vóór twaalf uur bij
Japikje zou zijn, en dan! het zou een vroolijke bruiloft worden.
Doch terwijl hij dit peinsde, schoot een andere, vreeselijke gedachte
kriskras door zijn brein, en hieuw zijn hoop aan stukken.
Hij kon toch niet zóó bij Japikje komen. Hij had zijn daagsche pak
in de herberg gelaten, en zijn Zondagsche was aan den haal. Het mocht
kosten, wat het wilde, hij zou en moest zijn beste kleeren terughebben.
De woeste jacht begon.
't Kleine kaboutertje klom hem tegen de beenen op, en klemde zich
met allebei zijn handjes vast. Anders zou het hem niet hebben kunnen
bijhouden. 't Ging over gebaande en ongebaande wegen, over slooten,
greppels, heggen, kuilen, en gelijk in een droom--maar 't was de
spottende werkelijkheid, helaas--liep Hilbert achter zijn kleeren
aan. 't Vreemde van de zaak was, dat ze soms op hem schenen te wachten,
daar zij vlugger waren dan hij. Als hij ze dan pakken wilde, vlogen
ze weg, en dan hoorde Hilbert ergens dichtbij hem een honenden lach
... van den kleinen kabouter, die tegen zijn beenen leunde.
Bij Japikje's huis hielden zij stil.
Hijgende rende Hilbert erheen. Het was zijn laatste kans.
De kleeren konden niet verder, meende hij. Haastig keek hij op zijn
horloge. Het was op slag van twaalven. Hij zag door 't venster. In
de kamer zat Japikje met drie vrijers. Hij had zich te haasten.
Woest snelde hij naar de kleeren.
Ze ijlden in de hoogte, ze bleven zweven in de lucht, ze doken in
den schoorsteen, en, nadat hij weder naar het venster was geloopen,
bemerkte hij, dat ze zich kalm tegen de schouw hadden gevleid, en
dat Japikje met de vrijers vol verwondering het vreemde schouwspel
bestaarden.
Op dit oogenblik sloeg het twaalf uren.
Hilbert zag, dat het kaboutertje van zijn beenen sprong, een langen
neus maakte, en weg-ijlde. Hij begreep, wie hem zoo leelijke poets
had gebakken.
Toen riep hij naar binnen, dat men 't pak zou reiken, en hij kleedde
zich aan, om zijn vonnis te vernemen.
Dat was lang niet malsch!
Waarom hij zoo laat kwam?
Dan had hij zich maar niet bij de kabouters moeten ophouden!
Waarom zijn pak zoo stoffig was?
Dan had hij maar beter uit zijn oogen moeten kijken.
Of ze nog met hem zou trouwen?
Ja, maar dit jaar niet! Hij moest het volgend jaar op denzelfden dag
terugkomen. Want ze vond hem wel een aardige vent ....
Dit is de historie van Hilbert en Japikje die niet konden trouwen,
daar hij een kabouter tot vijand had. Houd allen de kabouters tot
vriend, want nuttige kereltjes zijn het, als ze willen, in huis en
hof, en schuur en stal, bekwaam vooral met ijzerwerk. Daarom ook zijn
ze als de smeden, blijde om een lied. Doch waar zij huns gelijke
niet in hebben, dat is in 't bedenken van een plagerij. Wees dus
voorzichtiger dan Hilbert, als ge uw Japikje op tijd wilt krijgen;
en trek uw Zondagsche pak aan.
Het is de moraal van deze historie, en een andere moraal is er niet
te vinden.
Onderwerp
SINSAG 0064 - Hilfsbereite Zwerge verspottet: das Glück wendet sich
  
Beschrijving
Bron
Commentaar
KABOUTERWRAAK (blz. 137-149). Wanneer hier niet bij was vermeld, dat
de Drentsche boerenjongen, dien ik Hilbert heb gedoopt, 't eerst over
het Ellertsveld was gegaan (het Ellertsveld, dat zoo vol is van sagen
en verhalen) en daarna (zie bladzijde 145) voor de Gietensche herberg
stil had gehouden, dan had ik waarlijk geaarzeld, of ik dit verhaal bij
de "sagen" wel had opgenomen. Want het vertoont vele sprookjesachtige
motieven, en één deel van Schrijnen's definitie over 't sprookje is
hier aanwezig: "het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal ...,"
doch 't andere deel: "zonder beperking van plaats, persoon of tijd,"
kunnen wij niet aantreffen.
Men zal onder de sagen, welke in dit boek voorkomen, er nauwelijks
één kunnen vinden, welke zoo onmiddellijk uit den "volksgeest" is
ontstaan. Het ontmoeten van Hilbert en Japikje; hun vrijage; haar
weigering, om iets met hem te eten; haar wreed uitstel; 't avontuur
der beide jongelingen uit 't Zuiden; zijn gang over het Ellertsveid,
waarbij hij niet zijn beste pak aantrekt .... Ook de flesch jenever,
die hij bij zich steekt heeft haar gezonde bestaansreden.
Immers, waar in verschillende deelen van ons vaderland (Achterhoek
b.v.) een jongen, die naar een meisje uit een vreemde buurtschap
vrijt, dikwijls groote kans loopt door de plaatsgenooten van 't
meisje te worden afgeranseld, weet de Drentsche jongeling veelal
een dergelijk avontuur te ontgaan, door de "eigenaars" op jenever te
tracteeren. Inderdaad: eigenaars. Niemand heeft het recht, zich met
haar te bemoeien, zonder hun toestemming.
De flesch jenever, die Hilbert met zich mede-neemt, is in het
oorspronkelijk verhaal dan ook niet voor hem-zelf bestemd, doch om
"'t wicht in het Noorden" te koopen. Eerst, als hij de kabouters
ontmoet, begint hij te tracteeren, daar hij anders niet weet, hoe
hij de guurkes voorbij moet komen.
De volkshumor is deze belangwekkende lezing geestiger gaan maken,
en dus tijgt Hilbert ter vrijage met een stuk "schinken" in de eene,
en een flesch jenever in den anderen zak. Telkens neemt hij een beet en
een slok, wat tengevolge heeft, dat de drank al flink is aangesproken,
wanneer hij bij de kabouters aankomt.
Als Schrijnen zegt van "de sproke":
"Zij heeft óók een nationaal karakter en voegt zich geheel in het
koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar
de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft," dan zal men,
na het bovenstaande te hebben gelezen, nog meer mijn aarzeling
begrijpen, of dit verhaal niet geheel en al bij de sprookjes is te
rangschikken. Nu wordt het sprookje anders verteld als de sage, gelijk
ieder weet, die beide vormen onder "'t volk" heeft bestudeerd. Zoo ge
de moeite zult nemen, om het register achter in 't boek nauwlettend
te bekijken, dan zult ge bevinden, hoe de meeste overleveringen een
deugd of een ondeugd beschouwen, tenzij in de "liefde"-sagen, en de
"heksen"-sagen. Het sprookje daarentegen is de vertelling zonder
moraal, en eindigt dus bijvoorbeeld met de woorden:
"En toen kwam er een varken met een langen snuit
En toen was het vertelseltje uit,"
een slot, waarmede kinderen en de groote menschen, die dikwijls als
kleine kinderen zijn, volkomen genoegen nemen. Men begrijpt dus,
dat voor 't wedervertellen van sprookjes (Boekenoogen, Dijkstra,
Pol de Mont, de Cock) een afzonderlijk talent noodig is, omdat men
met schrale woordkeus groote effecten moet bereiken.
De "Kabouterwraak," welke laten we zeggen voor de helft sage is, voor
de helft sprookje, bood dus zeer eigenaardige moeilijkheden. Ik heb
getracht, deze zoo goed mogelijk te overwinnen, en de scheikundige
regel: "in een mengsel behouden de stoffen onveranderd haar
eigenschappen" ook hier stelselmatig toe te passen.
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Naam Overig in Tekst
Hilbert   
Japikje   
Alberts Japikje   
Drents   
Lammert   
Trientien   
Gietensche   
Naam Locatie in Tekst
Ellertsveld   
Drente   
