Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN040 - Van eenen koster en een kosterin

Een sage (boek), 1918

pl24.jpg
pl25.jpg

Hoofdtekst

Van eenen koster en eene kosterin

Twee Sint-Bernards-kloosters waren er, niet verre van elkander,
't een was van mannen en 't andere van vrouwen. Allen in de kloosters
leefden heilig in een heilig leven naar den regel der orde, en in elk
der kloosters was een persoon, koster in het convent. Beiden waren ze
vroom en van een geestelijk leven, ze hadden elkander lief in onzen
Heer Jezus Christus, en ze hielpen elkander, waar zij konden, al zagen
zij elkander nooit en al spraken zij ook elkander nimmer. Beiden waren
ze zeer devoot in den dienst van God en Maria, Zijne lieve moeder. De
koster dan had Maria, de moeder Gods zeer lief en met groote devotie
vereerde hij haar, zoodat hij te Harer eer een beeld deed maken,
zoo schoon als het wezen kon. Hij plaatste daarbij den duivel onder
Hare voeten, zoo leelijk als het wezen kon, waarom de duivel zeer
vertoornd was, ook omdat de koster Maria zoo liefhad. Dus kwam Satan
den koster eens in den nacht tegemoet in de gedaante, waarin hij was
afgebeeld onder Maria's voet. Smadelijk sprak de Duivel den koster toe:

"Waarom?" zoo vroeg hij, "hebt gij mij zoo leelijk gemaakt onder
het beeld van Maria? Tenzij gij mij ervan afstoot, zal ik het u doen
gevoelen, totdat het u berouwen zal. Zeer hebt gij mij vertoornd."

De koster was over Satan's wezen en woorden vol van angst, doch zijn
vroomheid overwon zijn vrees, en hij antwoordde hem:

"Ga weg van mij, duivel, ga heen--het is mij onverschillig, dat gij
me dreigt, want Maria, de moeder Gods, die ik dien, zal mij tegen
uwe handen beschermen."

De duivel ging heen, en er verliepen wel tien jaren--de koster was
't vergeten, wat er geschied was--toen kwam de duivel in eenen nacht,
om het den koster te doen gevoelen, dat deze hem zoo Teelijk had
afgebeeld. Hij kwam in de gedaante der kosterin en klopte aan zijn
deur. De koster nu was het niet gewoon, dat er des nachts eenig
geluid was. Daarom stond hij onmiddellijk op en ontsloot de deur,
roepend in den duister, wie er was.

De duivel zeide met fluisterende stem:

"Ik ben de kosterin van het vrouwenklooster, die u lang getrouw is
geweest, en naar u heeft gesmacht, in liefde. Om deze reden ben ik
tot u uit het klooster gegaan. Ik heb medegenomen de allerschoonste
juweelen en kleinodiën, waar wij lang van kunnen leven. Komt dan,
o kom haastelijk, zonder marren, en neemt, wat gij kunt krijgen en
dragen. Laat ons tezamen trekken uit het land."

Niet in zijn ooren alleen hoorde de koster de woorden klinken, maar
ook zijn ziel werd bekoord, zoodat hij geen antwoord wist te geven;
hij was overwonnen door's duivels fluistering, meenende, dat 't alles
waar was. Hij ging haastig heen. Hij verzamelde al het zilverwerk
en de juweelen, die hij kon krijgen uit het klooster, en hij deed
het in een zak; hij toog naar buiten, met den duivel, meenend, dat
deze de kosterin was. Toen zij een eind wegs waren gegaan, begon de
duivel te klagen.

"Ach! ach! wee mij, ik heb in uw klooster vergeten het allerschoonste
kleinood, dat ik had. O! blijf hier, en wacht op mij. Ik zal snel
loopen en ik kom spoedig weerom."

De koster geloofde hem en hij bleef bij den zak in het land zitten. De
duivel echter ging in het klooster, en riep luide:

"Waakt op! waakt op! en vervolgt den koster, den dief, want hij heeft
al de juweelen van het klooster gestolen en is daarmee weggeloopen."

De abt stond op, alle broeders stonden op en ze vonden alle sloten
ontsloten en de juweelen waren weg. Ze liepen uit het klooster,
den koster na, dien ze niet ver van het klooster vonden zitten,
met het goed, dat hij gestolen had. Ze vatten hem, ze ondervroegen
hem, maar hij wist geen antwoord te geven, omdat hij beangst was
en beschaamd--daar hij niet begreep, hoe hij in al den last was
gekomen. Ze voerden hem in het klooster, ze wierpen hem in den kerker,
en ze sloten hem met beide voeten in den stok. De abt beval één van
de monniken te luiden als het tijd was, en daarna gingen allen weder
ter ruste.

De koster zat onderwijl in den kerker, en hij voelde zich door zijn
grooten angst bezwaard. Jammerlijk schreide hij, daar hij zoo door
de verleiding was overwonnen--nergens wist hij troost of raad te
vinden, tot hij zich gaf met devotie aan Maria, de moeder Gods,
die een troosteres is van allen, die bedroefd zijn.

"O Maria, maagd en moeder Gods, lieve barmhartige vrouw, ontfermende
u over de zondaars, daar gij weet, dat ik u heb gediend, devoot van
hart, bid ik u om der wille Uwer barmhartigheid, wil mij bijstaan in
den nood, waarin ik ben verkeerd."

Al biddende aldus, alleen zijn hoop strekkende naar Maria, de moeder
Gods, kwam de duivel bij hem in de gedaante, zooals hij hem had doen
maken onder het beeld van Maria, en begon te spotten met den koster.

"Hoe heb ik u thans behandeld?" vroeg hij. "Ik heb 't u beloofd, dat
gij door uw berouw zoudt worden gekweld. Gij hebt mij leelijk gemaakt,
en ik heb u uw loon gegeven."

De koster, ocharme! hij was beschaamd en terneergeslagen, hij wist
niet, wat hij moest antwoorden, en hij zweeg.

De duivel zeide, en alle list had hij verborgen diep in zijn hart,
zoodat er niets van uit-klonk in zijn stem; ootmoedig zeide hij:

"Nu heb ik u uw loon gegeven, maar toch heeft Maria, die gij dient,
medelijden met u, en ze heeft mij met Hare macht gedwongen, om te doen,
wat ik slechts noode doe."

De duivel trok den stok op, en hij verloste den koster.

"Ga eruit," zoo beval hij hem.

De duivel nu ging in den stok zitten, de gedaante des kosters
aannemend.

De koster sloop zijn cel weder binnen, zonder dat iemand hem zag. In
zijn cel was hij blijde, en hij dankte en loofde God en Maria, zijn
lieve vriendin, omdat ze hem had geholpen vol goedertierenheid. Hij
wachtte op den tijd dat hij zou moeten luiden, en toen het tijd was,
luidde hij.

Dit hoorde de monnik, dien de abt had bevolen 's kosters plaats te
vervullen, en hij verwonderde zich. Haastig ging hij in de kerk en
hij vond daar den koster, luidende de klok. Vol angst was hij, want
hij had gezien, dat men den koster in den stok had gesloten, en hij
ging tot den abt en de monniken, zeggende, dat de koster uit den stok
was gebroken. De abt en de broeders gingen naar den kerker, dien zij
gesloten vonden, en zij openden daarom de deur. Ze zagen toen, dat de
koster in den stok was. Vervolgens togen zij ter kerke, en daar stond
de koster, en luidde de klok. De abt zeide daarop tot de broeders:

"Den ganschen nacht heeft de duivel ons bespot."

Hij nam een kwast met gewijd water, en hij besprenkelde er den koster
mede, die het ootmoedig ontving. Daarna ging de abt met de monniken
naar den kerker, en hij wierp den duivel, in de gedaante van den
koster, ook met gewijd water. Satan vloog heen, en hij liet grooten
stank achter. Hieruit bemerkten zij, dat het de duivel was, die alle
deze moeite had gegeven, en zij vonden geen fout in den koster,
die met de hulp van onze lieve Vrouwe Maria voortging in deugden,
Maria, de maagd en moeder Gods heel zijn leven dienende, zijn leven
lang. In 't geheim zond hij een bode naar het klooster der vrouwen,
om te onderzoeken, of de non ooit uit het klooster was geweest, en
of ook iemand wist, wat er des nachts bij hem was geschied. Niemand
had daar iets vernomen, en de koster biechtte den abt alles.

Nadat de koster was gestorven, openbaarde dit de abt aan allen, die
Maria, de maagd en moeder Gods dienen, tot een exempel: dat Zij, Maria,
hen, die haar getrouw zijn, in geenen nood laat en hen vertroost.

Onderwerp

TM 5001 - Heilige (Maria) brengt redding of genezing (na religieuze belofte)    TM 5001 - Heilige (Maria) brengt redding of genezing (na religieuze belofte)   

Beschrijving

Twee Sint-Bernards kloosters waren er, een mannenklooster en een vrouwenklooster. In beide kloosters baden de koster en de kosterin regelmatig tot Maria. Al spraken ze elkaar nooit toch hadden ze elkaar lief. Op een dag maakt de koster een beeld van Maria en zet onder haar voet een lelijk beeldje van de duivel. Satan bezoekt vervolgens de koster en vraagt hem het beeldje weg te halen of anders zou het hem berouwen. De koster weigert. Echter de duivel is zeer slim. Een tijdje later klopt hij 's nachts aan bij het klooster in de gedaante van de kosterin. Hij vertelt de koster dat ze het klooster is ontvlucht met genoeg juwelen om samen met hem ergens een nieuw leven op te bouwen. De koster gelooft de duivel en gaat met hem mee, terwijl hij eveneens alle juwelen van het klooster meeneemt. Niet snel daarna wordt de koster gepakt door de abt en opgesloten in het klooster. De koster vraagt vergiffenis aan Maria. En zo geschiedde, de list van de duivel komt uit en hij wordt bestreden met wijwater. De koster biecht alles op aan de abt. Sinds de dood van de koster wordt zijn verhaal gebruikt als voorbeeld van de goedheid van Maria.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.255

Commentaar

1918
Voor een afbeelding, zie beeld.
VAN EENEN KOSTER EN EENE KOSTERIN (blz. 255-259), behoorende tot
de Maria-legenden.

Men zal tegen mij opwerpen, dat hier niet de "Beatrijs" is gekozen,
doch na de bewerking van Boutens was er natuurlijke aarzeling bij mij,
om bij de poëtische wedergave nog een in proza te voegen.

Daarbij kwam nog de eigenaardige omstandigheid, dat er nog een sage
onder ons volk leeft, welke met de legende van Beatrijs overeenkomst
vertoont en wel de hier behandelde sage van de bergtoren van Deventer.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Heilige (Maria) brengt redding of genezing (na religieuze belofte)

Naam Overig in Tekst

Sint-Bernards    Sint-Bernards   

Heer    Heer   

Jezus Christus    Jezus Christus   

God    God   

Maria    Maria   

Satan    Satan   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20