Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN048 - Ontmoeting met den Vliegende Hollander.

Een sage (boek), 1918

Hoofdtekst

Ontmoeting met den Vliegenden Hollander

Vele schippers hebben den Vliegenden Hollander ontmoet, zeilende over
de hooge zee, en als zij de bemanning van het vreemde schip riepen,
hoorden zij geen geluid--wat het vreeselijkste was--of wel schreeuwden
er stemmen en rinkelden er flesschen. Het ging zonder kompas en koers,
het voer en verdween. De zeilen waren fel-wit en strak-gespannen.

Wee! wee! wie den Vliegenden Hollander zag.

Doch een schipper uit Makkum heeft hem aanschouwd, en hij is met
behouden reis teruggekomen. Dit wonder wordt als volgt verteld.

In de Spaansche zee kwam een storm, zóó wild als nooit een der
bemanning had gekend. Doch de schipper bleef in zijn kajuit en rookte
een pijp, als ware er geen wolkje aan de lucht. Een ieder dacht:

"We zullen vergaan"; menig man bad, en beval zijn ziel aan God. De
stuurman liep heen en weer, en hij meende, dat men er nog een reef
in moest steken. Hij riep het den schipper toe. Deze stak echter even
zijn hoofd naar buiten, de pijp kalmpjes rookende, en hij zei vredig:

"Laat staan, wat staat."

Toen kwam het duister, dicht en diep en star, de lucht was zwart
en de zee was zwart, noch van verre, noch van dichtbij was er een
grens aan den nacht. 't Eenigst geluid was de zoevende stormwind,
en iedere stem werd verwaaid.

Toch kraakte er hout, en rammelde er een ketting, en plots kon men
den stuurman verstaan, die uitriep:

"Te loevert is een schip."

Wit waren de zeilen, een nevel gleed voorbij, wàs het een schip? De
bootsman fluisterde, en ook zijn woorden werden vernomen:

"'t Is de Vliegende Hollander."

De pijp des schippers was niet uitgegaan: de kapitein kwam rookende
aan dek, en keek eens rond.

"Wat is er, mannen?" Geen antwoordde hem, tot eindelijk de stuurman
schor riep:

"De Vliegende Hollander! Wat zou 't anders zijn?"

Klets! de pijp van den schipper vloog in zee. De Makkumer stond
rechtop en zei toornig:

"Zoo! zoo! dan zijn we hem eer schuldig ook. De eer zal hij van den
Fries hebben."

Voor de stuurman begreep, wat de schipper in het zin had, was deze
al in de kajuit, en hij kwam met een brandend hout terug. Hij laadde
een draaibus, en liet het kruit ontploffen. Het schot knalde.

"'t Is onze dood," dacht een ieder. Maar de Makkumer lachte.

"We geven hem alle eer, die hem toekomt." Hij wees te loevert.

"Kijk! er is geen schip meer. Wat wou de Vliegende Hollander van ons?"

De nacht week terug, en men voer in een schemerend licht. Nu eerst
durfde het scheepsvolk om zich te zien, en het was, zooals de kapitein
had gezegd. De spookschuit was verdwenen. De schipper ging naar zijn
kajuit, haalde een nieuwe pijp, en dampte een oogenblikje later weer,
of er niets was gebeurd. De stuurman en bootsman keken zeer verwonderd
naar lucht en zee: het volk kon wel naar kooi gaan. Wie dacht er nog
aan gevaar?

Men hoorde den schipper lachen.

"Ik heb hem de eer gegeven; hij heeft niets op me aan te merken!"

Dit nu stemde menigeen bang, en men fluisterde, dat het eind der
reis nog niet gekomen was. Men ging den ouwe uit den weg, die deed,
of hij niets bemerkte. Even rustig en leutig bleef hij als vroeger,
kalmpjes rookende. De stuurman zei tot den bootsman:

"De schipper is voor den Duivel nog niet bang."

"Ik wou, dat ik niet gemonsterd had."

"In de Middellandsche Zee zijn roovers--dáár zal 't gebeuren. We
hebben niet voor niets den Vliegenden Hollander te loevert gezien."

"O! mijn vrouw en kinderen te huis ...."

"Daar is de schipper ...."

Langzaam schreed de Makkumer over dek, de handen in de zakken, en de
pijp natuurlijk in den mond. Ging dan de schipper soms met de pijp
te kooi? De twee mannen zwegen, hoewel ze begrepen, dat de ouwe hun
gedachten ried.

Er woei maar weinig wind, en over een effen baan gleed het schip. Toen
ze in de Middellandsche Zee kwamen, werd het bijna windstil. Men kwam
slecht voorruit, en een ander kapitein ware misschien boos geworden,
en had het volk uitgescholden. De Fries echter bleef kalm, en hij keek,
of hij dit alles wel verwachtte.

Des avonds in de rozig-getinte schemering--nog was de hemel
ultramarijn, doch zee en lucht waren reeds door het duister
bewogen--hoorde men 't zacht geplas van riemen, en men spande zijn
oogen in, om te zien. Een boot naderde.

"Zoo--" zei de schipper, "zijn ze er al?" en hij verzamelde zijn
manschap. Allen stonden om hem heen. Men wist, dat _hij_ alleen redden
kon. Hij nam zijn pijp uit den mond, en wees naar de verte.

"Jongens--," fluisterde hij, "'t hangt ervan af, of _die daar ginds
ook is!_ Wanneer de boot alleen komt, heb dan geen vrees. Maar jullie
moeten me helpen." De stuurman vroeg kreunend:

"Komen we er behouden door?" De Fries wierp zijn pijp op dek, zoodat
de stukken uitspatten, en hij antwoordde bedaard.

"'t Zal wel gaan."

"Wat moeten we dan doen?"

"Jongens! neem zeven leege flesschen en breng ze me. Kok! heb je nog
een paar mooie stukken hout, van die half smeulende?"

"'t Zal wel gaan, schipper!"

Een paar van het volk waren reeds naar beneden gegaan, en ze brachten
zeven flesschen, welgeteld. De schipper bezag ze meesmuilend, en hij
likte zijn baard, of hij iets smakelijks had gegeten.

"Dat is in orde, maats. En nou de kok nog!"

Deze kwam al hijgend aanloopen, in rechter- en linkerhand een paar
flambouwen. Onderwijl had de schipper de zeven flesschen met buskruit
gevuld.

"Hallo! hallo! hij moet de groeten van den Vliegenden Hollander
hebben."

De mannen stonden zwijgend om hem geschaard. Plas! plas! poem! deden
de riemen der naderende boot. Men hoorde, hoe de lieden hijgden,
om maar gauw op zij van 't schip te zijn.

De schipper zwaaide de zeven flesschen met buskruit en hij smeet ze
recht op de boot. De flambouwen, in hun vaart fel-vlammende, wierp
hij de flesschen achterna.

"Buk je," schreeuwde hij.

Een zwerm van glinsterende scherven sloeg de hoogte in, en de boot
barstte uiteen. Men zag geen menschen drijven. Het schip voer verder.

"Men moet den Vliegenden Hollander de eer geven," lachte de Makkumer
nu luid, en hij ging naar beneden, om een pijp te rooken.

In zeer korten tijd kwam men behouden aan. Het weder was wonderschoon
gebleven, en de zee rimpelloos. Alle nachten hadden de goede sterren
geschitterd.

Onderwerp

SINSAG 0471 - Schiff segelt durch die Luft.    SINSAG 0471 - Schiff segelt durch die Luft.   

ATU 0777* - The Flying Dutchman.    ATU 0777* - The Flying Dutchman.   

Beschrijving

Vele schippers hebben de vliegende Hollander ontmoet en hebben het niet overleefd. Van een schipper uit Makkum is bekend dat hij een ontmoeting met de Vliegende Hollander wél heeft overleefd. Het schip kwam in de Spaanse zee in zwaar weer terecht. De bemanning dacht de Vliegende Hollander te zien. De schipper bleef rustig en zei dat ze hem eer zouden geven. De schipper schoot met een draaibus met kruit. De Vliegende Hollander was niet meer te zien. De bemanning vreest de houding van de schipper. In de Middellandse Zee vrezen ze de rovers. Op een avond is geplas van riemen te horen. De schipper zegt dat het er van af hangt of de boot alleen is. Om er behouden door te komen schiet de schipper zeven flessen gevuld met kruit af op de boot, gevolgd door brandende flambouwen. De boot spat uiteen, maar er drijven geen mensen. De Vliegende Hollander moet men eren. Het schip heeft verder een goede reis en thuiskomst.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.338

Commentaar

1918
ONTMOETING MET DEN VLIEGENDEN HOLLANDER (blz. 338-342). O.a. door
Waling Dijkstra medegedeeld.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Schiff segelt durch die Luft

Naam Overig in Tekst

Vliegende Hollander    Vliegende Hollander   

Spaans    Spaans   

Fries    Fries   

Middellandse Zee    Middellandse Zee   

Duivel    Duivel   

Naam Locatie in Tekst

Makkum    Makkum   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20