Hoofdtekst
Op het slot Waerdenburg woonde eertijds niemand meer of minder dan
doktor Faustus, en hij leerde en studeerde den ganschen dag, ja,
dikwijls sloot hij 's nachts zijn boeken niet. Uit zijn schoorsteen
kwam walm en stank, en niemand wist, wat doktor Faustus eigenlijk
bedreef. Hij gooide velerlei poespas door elkander, en keek er dan
met alle verstand naar, net of hij een wonder verwachtte, maar wat hij
zocht, vond hij natuurlijk niet, en daarover was doktor Faustus heel
bedroefd. Hij had overal vuren aan, en daarboven zette hij allemaal
van die rare potten en pannen, en velerlei kleuren mengde hij dooreen,
groen en paars en rood en blauw, totdat op een goeden dag--niemand
weet op welke wijze--de Duivel in eigen persoon bij hem kwam. En deze
vroeg dokter Faustus:
"Beste doktor Faustus, wat zoekt gij toch in uw potten en pannen? De
heele Bommelerwaard is vol van den stank van uw schoorsteen, en gij
bereikt niets. Zoudt gij u niet liever onder mijn hulp stellen?"
"Ja," antwoordde de geleerde doktor, en hij krabde zich op 't
voorhoofd, "maar ik heb geleerd voor wat hoort wat, en wat zijn
uw voorwaarden?"
De Duivel glimlachte en volgens gewoonte noemde hij eerst de voordeelen
der tegenpartij op.
"Kijk eens, ik kom bij u in dienst, en zeven jaar lang kunt ge van
me krijgen, wat ge wilt." Doktor Faust dacht langen tijd na.
"En als de zeven jaar om zijn?"
"Ja," antwoordde de Booze, "dat is nu eenmaal niet anders. De gewone
belooning, nietwaar, die ik altijd eisch."
"Dus mijn ziel?"
"Niet meer en niet minder--Wat doet het er welbeschouwd toe? Denk eens
aan, doktor Faustus, wat er in die zeven jaar gebeuren kan! Niets
dan vreugde zij uw deel, vreugde, die vreugde volgt, en onbekommerd
staat ge op, en onbekommerd gaat ge te bed. Zoo'n leventje zou het
heele menschdom bekoren, wat ik je zeg."
"Nu, dat is dan afgesproken."
"Voorzichtigheid," zei de Duivel, "is de moeder van de
porseleinkast. Ik voor mij heb altijd zoo'n beetje ... wantrouwen. Dat
leer je helaas op de wereld. U weet niet, hoe duivelsch-slim de
menschen zijn, en daarom moet ik u voorstellen, dat wij er een klein
contractje van opstellen, en nou u!"
"Ja--wat moet, dat moet en wat niet anders kan, dat kan niet anders."
De Duivel haalde een stuk perkament te voorschijn, en daar stond
reeds alles zwart op wit. Hij is een goed rechtsgeleerde, de Duivel,
en hij maakt het de zondaars niet al te moeielijk!
"Zoo ge dit even met uw bloed wilt teekenen, is de zaak in orde."
"Wie a zegt; moet ook b zeggen," zuchtte de arme doktor Faust, en
hij zette zijn handteekening. Doch nu moest zijn nieuwe knecht nog
een naam hebben. Als hij hem te roepen had, kon hij toch niet zeggen:
"Duivel! kom eens hier?" Of: "Satan! haal me wat meel in Bommel?" Ze
waren het al gauw over den naam eens. "Joost," zou de nieuwe knecht
van den doktor heeten. Hij behield dus aan den eenen kant een titel
van Beëlzebub, die immers ook wel met Joost wordt toegesproken, aan den
anderen kant zijn er ook wel menschen Joost genaamd. Joost kon alles,
en Joost deed alles. Tegenwoordig is het dienstpersoneel, zooals de
algemeene klacht is, in de verste verte niet, wat het vroeger was,
en Joost was--denk eens aan--in dien tijd al de puikste der puiken.
Doktor Faustus had maar te zeggen:
"Graag wil ik dit of dat," en de knecht was reeds weg, veel gauwer
dan een paard kan loopen. Hij deed zijn inkoopen niet in Bommel
(hoewel daar de winkeliers van alles wel voorzien zijn, en duur kan
men ze ook niet noemen), maar in Amsterdam, ja zelfs in Parijs. Wat
verlangde doktor Faustus ook niet al!
Denk u eens een snikheeten zomerdag, waarin de vogels te moe zijn,
om te zingen. De warmte zinkt, zinkt neer uit de lucht tot op de
aarde, voortdurend nieuwe warmte, die den grond doet springen. Als
ge den schoenen op den weg zet, lijkt het of er vlammen om uw voet
slaan. Uw hoofd kan geen hoed verdragen, en zonder hoed kunt ge
't ook niet uithouden. Ge verlangt naar een frisschen dronk water,
en als ge drinkt, is uw dorst onleschbaar, ja, het drinken zelve
wekt den dorst op. Uw hoofd is zóó opgezet, dat uw beste vriend u
niet wederkent, en als ge de schaduw van het bosch binnenkomt, gaat
ge zwemmen ineen vurigen oven.
Op zulk een zomerdag commandeerde de geleerde doktor zijn knecht:
"Joost! haal me even een beetje ijs en sneeuw."
En dan moest de duivel door de smorende hitte, erger dan de hel.
Of wel, wanneer 't winter was, wanneer de rivieren bevroren waren,
en de felle, vinnige kou drong door de beremuts heen, net precies,
om de bovenste puntjes der ooren zóó ondragelijk te doen lijden, dat
men zijn ooren erom zou willen verliezen, en ook den neus deed hij
krimpen en kreukelen en kraken, dat je 't gevoel had, of er niets van
overbleef en je nooit meer zou niezen en snuiten (maar den volgenden
dag was je zóó verkouden, dat alleen een warm bed en kamillenthee je
er weer bovenop konden helpen). En overal zag je bonte kraaien, als
teeken, dat het nog lang niet uit was, en 't beste kon je thuis-blijven
met je handen en beenen vlak bij den haard ...
Op zóó'n dag placht doktor Faustus zijn dienaar te roepen, en hij
beval hem:
"Haal me eens een paar flinke trossen druiven."
Sneeuw en ijs in den zomer, druiven in den winter, dat was al bijna
niet te doen! Maar nog was de geleerde man niet tevreden! Op een dag
liet hij Joost bij zich komen. "Hoor eens! ik moet een rijtuig hebben
met vier paarden, die nooit moe worden."
Dat bracht de knecht ook in orde! Je kon doktor Faustus vaak zien
uitrijden, en dan ging hij, hu! als de wind naar Konstantinopel,
heen en terug.
Het gebeurde ook wel eens, dat hij naar Bommel wilde.
"Inspannen, Joost! Maak eventjes een brug over de Waal!"
Dan liep de goede Duivel naar de rivier en bouwde in een ademtocht
een stevige brug, waarover de doktor het prachtige rijtuig voeren
kon. Nauwelijks echter was hij aan de overzijde, of hij floot.
"Joost! je weet, ik kan de lui van Bommel niet uitstaan. Zorg gauw,
dat de brug weer afgebroken wordt, anders maken ze er gebruik van."
Nog eerder dan de pont gereed was, werd zij weer gesloopt.
Wat er niet al van doktor Faust wordt verteld. Ja, ja, de wonderen
zijn de wereld nog niet uit, en 't staat gedrukt ook, dus is 't even
waar als de krant. Eens kwam de geleerde man een herberg binnen,
en riep om een vat Tielsch bier.
De waard sjorde en rolde met veel gezucht en geklaag de zware vracht
voor zijn voornamen gast: tot verwondering van allen ging deze erop
zitten, en daar reed hij de kroeg uit, net of hij op een Arabischen
hengst zat. Huppelend en steigerend en zich voorover neigend en
dan weer achteruit werpend, voer hem het vat Tielsch bier tot aan
het kasteel, waar doktor Faustus afsteeg, en Joost riep. Hij had hem
natuurlijk weer wat te ordonneeren, en elken dag prakkizeerde hij wat
nieuws. Als zoo'n geleerde bol eenmaal daarmee begint, kan er alevel
wat gebeuren.
Om een voorbeeld te geven!:
Eens, dat hij meel had gekocht, liet hij 't naar de gracht rijden,
en hij beval, dat men de kostelijke waar ('t was zonde!) in het water
zou gooien. Toen dit geschied was, riep hij Heintje Pik.
"Joost! haal me 't er weer uit, en zorg, dat het goed gezuiverd wordt,
anders krijg je met mij te doen. Allo! niet getalmd."
Dan ging de Duivel aan het scheppen, schoppen vol vuil en meel dooreen:
't riekte wel een half uur in den omtrek zuur! Vóór hij er mee klaar
was, het vuil en het meel te scheiden (hoewel in een mengsel de
stoffen onveranderd haar eigenschappen behouden) snelde er heel wat
tijd voorbij, en de rug van Beëlzebub deed hem pijn, of hij gegeeseld
ware. Soms veroorloofde zich de doktor een bijzonder aardig grapje
tegenover zijn knecht. Als deze overdag den heelen dag zóó had gewerkt,
dat hij er met permissie van zweette, nam zijn heer wat koren en smeet
't in de doornenheggen.
"Joost! vóór morgenvroeg moet je zorgen, dat ik 't terug heb."
Dan sjokte de arme duivel met zijn moede beenen naar de heg, en hij
stak zijn vingers in de doornen, om al die korrels bij elkaar te
zamelen. Den volgenden morgen wachtte hem nogmaals moeilijke arbeid,
en vele malen mompelde hij:
"Ik wou, dat Joost hem haalde."
Zoover was het ondertusschen nog lang niet. Hij had al die zeven
jaren door te worstelen, en een einde scheen er niet te komen.
Ten laatste--vier jaren waren er voorbij gegaan, en als vier pakken
van tweehonderd pond elk, lagen ze op 's duivels rug gestapeld--gaarde
Beëlzebub allen moed bijeen, en hij klopte nederig aan de deur zijns
meesters.
"Binnen!" riep doktor Faustus, en de drommel van zijn knecht stond
op den drempel.
"Mijnheer! als het niet te astrant is ...."
Doktor Faustus kende genoeg van de wereld, om niet te weten, dat er
thans een onbeschaamde vraag zou volgen. Want ach! brutaal was soms
't vroegere dienstpersoneel óók al, hoewel je er tegenwoordig onder
hebt ... doch hierover basta. Ongeduldig zei hij dus:
"Nu?!"
"Mijnheer ... ik heb u vierjaar goed en trouw gediend."
"Nu?!"
"Als mijnheer er niet op tegen heeft, zou ik mijnheer's dienst nu
wel graag willen verlaten."
"Verlaten? Dat begrijp ik niet. Zeven jaar moet je toch bij me
blijven? ...."
"Mijnheer moet me goed vatten. Ik bedoel niet, dat mijnheer me loon
heeft uit te betalen. Ik wil mijnheer zonder loon vier jaar gediend
hebben."
"Daar komt niets van in! Aan je werk, Joost. Als jij moe bent, ik ben
't niet."
Nog drie jaar arbeidde Joost bij doktor Faustus. Er was niet dàt
op hem te zeggen. Zoo'n in-netten, degelijken knecht hadden er niet
veel. En zoo trouw! En zoo eerlijk! En zoo kraak-kraak-kraakzindelijk.
Doch toen de zeven jaren om waren ... ja toen ... was de knecht de
meester geworden en de meester de knecht. 't Contract had de duivel
goed in orde gemaakt. 't Was middernacht, precies twaalf uur (de klok
van Bommel loopt zuiver), en daar greep de duivel zijn vroegeren heer
bij de haren, en sprong met hem 't hooge venster van den toren uit,
vlak naar de hel, nadat hij hem fel door de tralies van 't raam had
getrokken. 't Bloed spoot den verdoemde het lichaam uit en spatte
tegen den muur, om 't nageslacht van de waarheid dezer vertelling
te overtuigen.
Onderwerp
SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Waerdenburg   
Faustus   
Duivel   
Joost   
Beëlzebub   
Tiels   
Arabisch   
Heintje Pik   
Satan   
de Booze   
Faust   
Naam Locatie in Tekst
Bommelerwaard   
Amsterdam   
Parijs   
Waal   
Bommel   
Konstantinopel   
