Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

Gelre010 - Hoe Gelder aan zijn naam gekomen is. Een nieuw onderzoek naar eene oude vraag

Een sage (boek), 1877

Leonardo_Diffusion_XL_a_realistic_color_photo_of_a_fire_breath_2.jpg

Hoofdtekst

Dat Gelderland naar zijne aloude hoofdstad Gelder heet, is iedereen bekend. Hoe evenwel die hoofdstad aan haar naam gekomen is, weet niemand ons te zeggen. Wel herinner ik mij eene zeer oude legende, welke het niet onaardig verhaalt; maar dat verhaal, hetwelk zelfs op geen schijn van waarheid bogen mag, is zoo tastbaar verdicht, dat geen mensch er ooit eenige historische waarde aan heeft gehecht, of immer er aan hechten zal. Om echter diengenen mijner lezers, die het niet mochten kennen, genoegen te doen, en ook daardoor dit Jaarboekje niet slechts voor sommigen, doch voor allen zoo aantrekkelijk te maken als in mijn vermogen is, deel ik het hier gaarne mede. Voor ongeveer duizend jaren — luidt de door mij bedoelde legende — leefde er in Hameland, een gedeelte van Gelderland waarin de graafschap Zutphen ligt, een zekere graaf Herman, een wijs, rechtvaardig en hoogst gelukkig heer, die, met zijn klein gebied tevreden, niet naar hooger macht of aanzien stond dan hem door het lot was toegedeeld. Zijne eenige dochter Margaretha, eene beeldschoone jonkvrouw, was verloofd aan Wichard van Pont, welk landschap in de tegenwoordige provincie Limburg is te vinden, doch vóór dat het aan dat gewest werd toegevoegd tot Gelderland behoorde. Deze Wichard moet een dapper, moedig en onverschrokken jongmensch zijn geweest. Ten minste, toen het land van Pont bij zekere gelegenheid in grooten angst en bange zorg verkeerde over een draak, die er niet slechts allerverschrikkelijkst moet hebben uitgezien, maar die werkelijk ook de ontzettendste verwoestingen aanrichtte, daar hij menschen en dieren als ratten en muizen verslond; en niemand, al was hij nog zulk een wakker held, het ondier, dat waarschijnlijk door de hel was uitgebraakt, wijl het al, wat sterfelijk was, met zijnen verpestenden adem vermoordde, durfde bestrijden; ja ook de plechtigste gebeden en de devootste processiën, er niets tegen baatten — besloot hij, het mocht dan kosten wat het wilde, zelfs al moest hij er het leven, dat hij zoo gaarne met zijne lieve Margaretha wilde slijten, bij laten, zijn land, hetwelk er uren in het rond den walgelijksten reuk van inademen moest, Hij van die plaag te verlossen, en tevens aan zijne schoone bruid, die hij toch ook op zulk een onaangenaam odeurtje niet onthalen kon, te toonen van welk een kloeken, onversaagden en stoutmoedigen aard hij was. Nauwelijks nu was dat besluit bij hem opgekomen, of zonder dralen schoot hij zijne wapenrusting aan, stopte hij beide zijne neusgaten stevig toe, en nam hij den dolk ter hand, welke reeds zeven en twintig zijner voorvaderen met door geen smet van eerloos- of lafhartigheid bevlekten roem gedragen hadden. Zoo stapte hij op het monster aan, dat onder een grooten eikeboom gelegen, dien roekeloozen waaghals met de meeste bedaardheid scheen af te wachten, en reeds van verre zijnen wijden, vuilen muil hield opgesperd, om hem, evenals zoovele anderen, die voor hem kwamen, met huid en haar te verslinden. Ditmaal evenwel had het leelijke beest zich deerlijk vergist, want onze ridder, die niet flauw viel van den stank, noch naar werd van den schrik, gaf het onverhoeds met zijn mes, hetwelk een van de vele geslachtshelden, die hem waren voorgegaan, misschien wel van vader Noach zelf gekregen had, en licht mogelijk nog door Tubal Kain eigenhandig kan zijn gesmeed geworden, zulk een gevoeligen stoot in de ribbenkast, dat het na een kort, doch daarom niet minder hevig gevecht, onder de akeligste stuiptrekkingen, welke gij u voorstellen kunt, den giftigen adem, waarmede het zooveel onheil stichtte, dat verscheidenen bereids voor eene gansche ontvolking van den aardbodem vreesden, uitblies. Dit deed het nochtans niet zonder een vervaarlijk geluid te doen hooren, dat allen, die Wichards weergalooze daad op een zeer verren afstand aanschouwden, duidelijk ter ooren kwam, en hen, al liepen zij op dat oogenblik niet het geringste gevaar, deed rillen en beven als een blad. Geen wonder, want het helgedrocht, hetwelk, bij al zijn gebrul, waarvan het bijwijlen de lucht weergalmen en de aarde op hare grondpilaren daveren liet, nog nimmer eene verstaanbare klank had voortgebracht, gilde in zijn stervensure >>Gelre", niets dan >>Gelre" uit; en dat deed het, tot elks verbazing, zoo natuurlijk en zoo hard, zoo letterlijk en zoo luid, dat men er niet aan twijfelen mocht of het wilde, dat de heele wereld zou vernemen en begrijpen, dat het >>Gelre" riep. Zooals zich denken laat was ieder dan ook hoogst nieuwsgierig geworden, en bestormden allen, die onzen held kwamen gelukwenschen met den goeden afloop van het waagstuk, dat hij zoo triomphantelijk volvoerde, hem met de vraag, wat dat laatste woord van het door hem gevelde monster beteekende; maar onze vriend, die nog te vermoeid was van den strijd om veel te kunnen praten, had er geene ooren naar, verlangde zeer naar een ommezientje rust, en spoedde zich daarna onverwijld naar zijne bruid, de schoone Margareeth, die thans hare reukorganen gerust gebruiken en het hart vroolijk op mocht halen, als zij in zijne staten kwam. Te Zutphen gekomen, ontving graaf Herman, die, door middel van de vogelvlugge Faam, welke in die oude tijden nog veel sneller dan tegenwoordig de telegraaf het nieuws van den dag moet hebben verbreid, reeds te weten was gekomen welk bijna ongelooflijk heldenfeit door Wichard was bedreven, den koenen jongeling met de meeste onderscheiding; omhelsde en liefkoosde hij hem als ware hij zijn eigen zoon, en had hij er hoegenaamd niets op tegen, dat hij nu maar aanstonds met zijne dochter trouwde. De aanminnige Margaretha, die zich bij deze ontmoeting hoogst bescheiden op een eerbiedigen afstand had gehouden, maar die, door vurige liefde voor haren aanbidder, dien zij thans op hare beurt bijna vergoodde, gedreven, toch niet had kunnen nalaten om eventjes te luisteren en door het sleutelgat van de deur der hofzaal te loeren, kwam, nadat zij alles, wat daar voorgevallen was, haarfijn gehoord had en gezien, als door een tooverslag in bruidsgewaad getooid, de van hunne aandoeningen nog niet half bekomene ridders overvallen, ving den door zooveel eer- en minbetoon, als hem hier te beurte viel, wellicht wel wat verbluften Wichard in hare armen op, en was — want ook de priester had zijne aanwijzingen al ontvangen — in korter tijd dan ik het navertellen kan, met den edelen man, die den draak gestoken had en den draak nooit met zich steken liet, verbonden door den echt.
Onder het gejubel en gejuich zijner dankbare onderdanen, die hem zijn leven lang op allerlei wijzen hunne erkentelijkheid betoonden voor de weldaad, welke hij hun bewezen had, bracht graaf Wichard nu zoo spoedig als hij zich aan de festijnen op het Zutphensch hof onttrekken kon, zijne gemalin, die trots op zulk een held, hem met zichtbaar welgevallen volgde in het door hem verloste land, waar hij gedurende een reeks van vele jaren aan hare zijde het hoogst geluk genoot, dat hierbeneden is te vinden, en zeer voorspoedig over het volk regeerde, dat zonder hem verslonden of verpest zou zijn geweest. Opdat echter ook het nakroost niet vergeten zou, maar altoos in gedachtenis houden wat het aan hem verschuldigd was, bouwde hij op de plaats, waar hij het monster had verslagen, eene nieuwe stad, en noemde hij deze naar het laatste woord, dat door dat ondier uitgestooten werd: »Gelre".
Zoo, mijne lezers, luidt de oude sage, met welker nieuw verhaal ik hoop, u niet verveeld te hebben. Waarom ik er hoegenaamd geene geschiedkundige waarde aan hecht, deelde ik u reeds mede. Evenwel het wonderbare en schijnbaar onmogelijke, dat er in gevonden wordt, is niet het eenige wat mij aanstoot geeft. Neen, maar gij weet immers evengoed als ik , dat niet Wichard doch Otto, die wel tweehonderd jaren na hem leefde, zoo er namelijk ooit een Wichard is geweest, in 1079 de sterkte of het stedeke stichtte, hetwelk tot den huidigen dag den naam van Gelder draagt. Blijft gij nu echter vragen aan welke omstandigheid die naam zijn oorsprong heeft te danken, dan moet ik u eerlijk bekennen, dat ik na een opzettelijk en langdurig onderzoek niet veel wijzer ben geworden dan degenen, die zich daar vóór mij aan hebben gewaagd. Intusschen, al ben ik in dezen nog niet tot volkomen zekerheid gekomen, is het mij toch gaandeweg waarschijnlijker geworden, dat Furmerius, een Friesch historieschrijver, die in 1600 leefde en doctor in de beide rechten was, het niet geheel uit zijnen duim zal hebben gezogen, toen hij beweerde, dat het riviertje, hetwelk ter rechterzijde van de stad Gelder loopt, voorheen den naam van Gal of Gel gedragen heeft. Is dat nu werkelijk waar, — en ik geloof niet dat men, behalve de uit-den-duim-zuigerij, waaraan de zooevenvermelde schrijver zich wel eens moet hebben te buiten gegaan, er met eenigen grond aan twijfelen kan, — dan is het vraagstuk, dat ons hier bezig houdt, al zeer gemakkelijk opgelost en heeft Gelder doodeenvoudig zijnen naam aan deze Gal, Gel, of Geul ontleend.

Ravenstein, Sept. 1877.

Onderwerp

TM 3113 - De draak van Gelre    TM 3113 - De draak van Gelre   

Beschrijving

In deze vertelling wordt een verklaring gegeven voor de herkomst van de naam van Gelderland. De verteller hecht er volstrekt geen historische waarde aan, maar het verhaal is aangenaam.
In Hameland leefde rond de negende eeuw na Christus graaf Herman. Zijn dochter Margaretha is verloofd met Wichard van Pont. Deze Wichard, een dappere ridder, gordt zijn wapenrusting aan en trekt ten strijde tegen een draak die mensen opeet en een verpestende adem heeft die dodelijk is voor alles wat leeft. Onder andere heeft Wichard een dolk bij zich die van geslacht op geslacht is overgedragen, en nooit verkeerd of onrechtvaardig is gebruikt. Wellicht gaat de geschiedenis van deze dolk zo ver terug dat hij gemaakt is door Kaïn zelf en een geschenk is geweest van Noach.
Onversaagd gaat Wichard over tot de aanval en een hevig gevecht volgt. Hij krijgt het voor elkaar het helgedrocht te doden, waarbij het een gebruk uitstoot dat klinkt als 'Gelre! Gelre!'. Iedereen feliciteert de held, die even uitrust maar dan zo snel mogelijk naar zijn aanstaande bruid gaat. Graaf Herman is vol bewondering vanwege de heldendaad van de jonge ridder. Hij geeft toestemming voor een huwelijk, tot grote vreugde van de geliefden. Een snelle voltrekking volgt, evenzeer tot blijdschap van het volk, die de ridder graag als hun leider hebben. Hij regeert vele jaren in voorspoed over de streek. Ter nagedachtenis van de drakenstrijd bouwt Wichard een stad die hij noemt naar de stervenskreet van de draak.
Ter afsluiting geeft de verteller een andere verklaring van de naam Gelre: het zou afkomstig kunnen zijn van een riviertje dat Gal, Gel of Geul zou hebben geheten.

Bron

J.C.W. Quack. Hoe Gelder aan zijn naam gekomen is. Een nieuw onderzoek naar eene oude vraag. Geldersche volks-almanak voor het jaar 1878. p.

Commentaar

1877
Tubal-kaïn: niet te verwarren met Kaïn, de zoon van Adam en Eva. Tubal-kaïn is een ver kleinkind van Adam en Eva volgens het geslachtsregister uit Genesis (zie Genesis 4, waarin vers 22 de geboorte van Tubal-kaïn wordt genoemd). Deze Tubal-kaïn is een metaalbewerker zonder weerga geweest (eveneens in vers 22).
Noach is de bouwer van de Ark en vormt met zijn familie de enige overlevenden van de zondvloed (Genesis 6-9).
De draak van Gelre

Naam Overig in Tekst

Hameland    Hameland   

Margaretha    Margaretha   

Wichard    Wichard   

Noach    Noach   

Tubal Kaïn    Tubal Kaïn   

Gelre    Gelre   

Otto    Otto   

Fumerius    Fumerius   

Naam Locatie in Tekst

Gelderland    Gelderland   

Gelder    Gelder   

German    German   

Zutphen    Zutphen   

Pont    Pont   

Limburg    Limburg   

Gal    Gal   

Gel    Gel   

Geul    Geul   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20