Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN12 - De heilige Amandus, Bisschop van Maastricht

Een legende (boek), 1919

Hoofdtekst

De heilige Amandus, Bisschop van Maastricht.

In de dagen, dat Dagobert als koning van Austrasië
heerschte, leefde er een heilig man, Amandus gehee-
ten, die met zorg zag, hoe de koning een leven van
lichtzinnigheid minde; en deze verstiet Gomatrudis, zijn
gemalin. Toen bezag zich Amandus in zijn hart, en hij gevoelde
met verheugenis, hoe boordevol het was van de liefde Gods.
Daarom ging hij en zwaren gang, en hij kwam tot
Dagobert, den koning van Austrasië.
En Dagobert zat op een gouden troon, maar Amandus
was een eenvoudig man, die bemind moest worden om
zichzelf. Hij vreesde hen niet, die sterk zijn van stem en
vleesch en geweld. De hovelingen waren wel verwonderd,
dat deze mensch zonder angst ging, recht en ongeknecht,
tot vóór den gouden troon van den liederlijke vorst.
„Wat wilt ge?" zoo vroeg de koning.
Toen sprak Amandus, zoo zeker, als een duif weg
ook in den storm vindt. Ieder zijner woorden klonk zoo
zuiver gelijk een goudstuk, vallend op een gouden schaal.
Wie naar hem luisterde, werd verkwikt als een herstel-
lende zieke door het zonlicht. En ook de koning werd
gestemd, of hij zachte muziek gehoord, die zijn naam
loofde. Nadat Amandus had gesproken, droeg hij het Misofeer
op, en hij vreesde niet. Ook vreesde hij niet, toen hij in
's konings kamer trad, om met hem over zijn zonden te
spreken; en zijn woorden vloeiden als olie in een wonde.
Doch Dagobert, de vorst van Austrasië, hij werd toornig,
dat iemand met hem durfde spreken, als Amandus deed.
Hij bedacht niet dat er een heilig man stond, die gekoes-
terd werd door de liefde Gods.
Hij wrokte en werd vertoornd, en riep vol drift;
„Ga heen!' toen verliet de heilig man het hof, zeer
droeve, als een man die door zijn vriend niet wordt
begrepen; en de koning verbande Amandus naar het
land van Gasconje.

In het land van Gasconje bleef de heilige een zeer
langen tijd, en de smart der uitgestooten was zijn deel.
Gelijk honger brandt de uitgestootenheid. Die uitgestoo-
ten is, ach! waar bleven zijn vrienden? Die uitgestoo-
ten is, voorwaar! hem mangelt de goede, vertrouwde
glimlach der bekenden, en vreemdelingen vragen;
"Wat bedreef deze man voor kwaads, dat hij is uitge-
stooten is?"

Doch nadat den koning een zoon was geboren, vroeg
hij zichzelven:
"Wie is het waard, om dit kindeke te doopen?"
En rusteloos doorschreed hij zijn kasteel, en geen enkele
naam stemde hem tot blijdschap, tot hij ineens Amandus
herdacht, den goeden man, die in waarheid zijn vriend was.
toen beval hij de ijlbodem naar het land van Gasconje
te snellen, en rust mochten ze niet kennen. Doch zwaar
viel het den heilige te moeten scheiden uit het land zijner
uitgestootenheid, waar hij vele zielen tot God had gevoerd.
Maar hij ging, gelijk een man, die van plicht naar
hoogere plicht zijn weg ziet; en in ootmoed kwam hij tot
den koning, als vroeg hij om vergiffenis. Maar de koning
viel voor hem op de knieën, en hij vernederde zich.
Amandus glimlachte als een vader tot zijn kind, en hij
was vergeten, wat voor booze daden Dagobert had
bedreven, ook hierin een vader gelijk. Hij gaf hem de
handen en deed hem opstaan, en hij vroeg mild:
„ Wat vraagd gij van mij, mijn zoon? Wat mag ik u
schenken?'
„O! niet zoo —" smeekte de koning. "Ik ben uw onder-
daan, gij niet de mijne."
„Spreek deze woorden niet. Ik uw dienaar, luister naar
u!' Toen zeide de koning; "Er is een kindeke in deze woning geboren, dat het
Heilig Doopsel moet ontvangen. Wilt gij het toedienen
en mijn zoon opvoeden?"

Amandus, dit hoorende, werd zeer angstig en hij stamelde:
"Zoo ik uw zoon opvoed, zal ik velen moeten verlaten,
die op mij wachten. Mijn taak is onder hen, die Christus'
goeden naam nog niet hebben vernomen. heb medelijden!"
"Als de minste dienaar smeek ik u!"
Zoo bleven zij elkander vragen om de gunst, beiden
geleid door de liefde, tot Amandus zich in zijn kamer
terugtrok, om na te denken, wat hem te doen stond.
En terwijl hij daar zo zat, kwamen er twee mannen
bij hem, de heilige Eligius en Dado, raadslieden des
konings, en ze wachtten geduldig, tot hij opzag van zijn
gemijmer. Want groote machten streden in hem, zonder
ophouden.
Het waren twee stemmen, die beiden tot hem spraken.
De eene zeide — ze had een klank als diep in het woud
een murmelende beek—:
"Aan een 's konings hof kunt gij ten goede arbeiden.
Uit het paleis klinkt de stem luid tot het volk. Heil u,
Amandus!"

Maar de andere antwoordde:
„Zoo er een vrouw met een emmer vol melk,
teneinde een zieke te laven, en ze verspilde het goede vocht,
hen aanziend in het gelaat, wat zoud ge zeggen, Amandus?
Als er honger was in het land, en ge zaagd iemand met
een korf vol brooden uitgaan, en hij wierp deze
brooden in den stroom, zoud ge hem niet berispen, Amandus?
Wilt gij de hongerigen laten hongeren, de dorstigen
laten dorsten? Hebt gij daarom God verkozen en deze wereld
verzaakt?"
Tot de eerste stem, murmelend, tot de tweede dreigend,
zweeg Amandus; en zijn geest wist niet, wat er
moest gebeuren.
Toen traden de twee raadsheeren des konings tot hem;
en hij hief het hoofd op.
„Wat wilt gij van mij, uw dienaar Amandus?' zoo vroeg
hij. "Kan ik u believen?"
"Ja heer! Een koningsknaap weent, om uit uw geze-
gende handen den heiligen doop te ontvangen, en om van
u te leeren, hoe God te dienen."
"Kan ik dan hen verlaten, de velen, die in de hel zullen
branden, wanneer zij mijn stem niet zullen vernemen?"
"Hoort, wat koning Dagobert ons heeft gezegd: Amandus
behoeft behoeft hen, die hij met hemelsche genade troosten
wil, geenzins te verlaten. Waarom niet de twee goede
dingen gedaan, gevend met rechter- en met linkerhand,
daar gij zoovele schatten hebt te schenken, het goud der
aanbidding en verzonkenheid, de diamanten van den
deemoed en de deugd, de peerlen der hope op de eeuwige
zaligheid. Wie is u gelijk?"
"Niet zóó!" sprak de bescheiden Amandus. "Prijs mij
niet. Ik ben onwaardig." Toen haalde hij diep adem. en
hij zeide mijmerend:
"Zeg den koning, dat ik zijn zoon zal opvoeden!"

Amandus was een kind van edele lieden, van den dap-
peren Serenus en de lieftallige Amantia.
De knaap werd opgevoed als een man, die in het jacht-
veld zijn ros weet te leiden, den horen kan stooten, om
zijn gezellen te roepen, en wiens arm machtig en zeker is
in houw en schot. maar hij verkoos de eenzaamheid en
de boetvaardigheid, gelijk een ander den rijkdom. Hij
wekte zijn ziel, om God te aanbidden. In de eenzaamheid
leerde hij het geluk kennen en hij dacht:
„Laat mij de wereld verlaten. dan eerst zal ik den Heiland
vinden!"

"Nauwelijks achttien jaar was hij, toen hij klopte aan
de kloosterpoort op het eiland Ogia. Men liet hem binne-
treden, en alle monniken verheugden zich met hem. Gelijk
een jongeling, die van een verre reis thuiskomt, door zijn
broeders wordt begroet, zóó heette men hem welkom, en
hij werd een van vele gelijkgezinden.
terwijl hij op het eiland Ogia vertoefde, zeide men
hem eens:
"Amandus, ga dezen morgen uit en maak een wandeling
over het eiland!"
De jonge broeder deed dus en al voortschrijdende door
de ongebaandheid, bemerkte hij een slang, sissend naar
slangenaard, groot en wreed en onverschrokken. Maar
Amandus was niet angstig, hij vertrouwde op God en
het gebed, dat sterker is dan een wapen, door menschen
gesmeed, spitser van punt, scherper-geslepen, en zóó
groot, dat het reiken kan van aarde naar hemel. Hij sloeg
het teeken des kruises, dat de booze geesten verschrikt
en verjaagt. Ook de slang keerde op haar schuifeling terug,
en spoedig week zij ontzet. Amandus keerde naar het
klooster weder, blijmoedig en ongedeerd.

Wie zulk een wonder volbrengt, die is zeker, dat zijn
daden als zoete wierook zijn, en hij hanteert het gebed
als een krijgsman zijn zwaard, onbekommerd om den
dood. Wie treedt hem tegemoed, om te zeggen?:
" Gij handeld niet naar behooren."
Zooals een bouwmeester, die een kerk ziet, waarin zich
duizenden 's daags ten gebed nijgen, wist hij:
"Ik heb goed gedaan!"
Op een dag trad de portier tot hem, en zeide:
"Broeder Amandus, een vreemding is hier gekomen,
die u verlangt te spreken!"
"Mij?" vroeg Amandus verwonderd, en hij begaf zich
tot den gast. Deze droeg zijn gelaat hoog, en men zag
aan hem, dat hij tot de menschen behoorde, die in deze
wereld gebieden. Amandus beschouwde hem verwonderd.
"Wat zoekt ge hier, mijn vader?" zoo vroeg hij.
"We zijn ge hier, mijn vader?" zoo vroeg hij.
"We zijn boos op u, uw moeder en ik, want wij meenden,
dat gij een ridder zoud worden, en dat wij eens trotsch
zouden zijn, omdat wij u zagen schijnend met het dier, dat u
droeg. En als ik over u dacht, was ik dan anders dan
trotsch op u, trotscher dan ooit een mensch op zichzelven
kan wezen? Met den trots des vaders, wiens gelaat blin-
kende is, terwijl hij in woorden niet spreekt? Wee ons,
als deze trots in smart verkeert, want waar is grooter
smart dan van den vader, lijdend om zijn kind?
Weet, Amandus, wat gij ons aandoet, als gij mij niet volgt."
"Roem der ouders, het is groote roem. Maar God te
behagen, is nog grooter, vader!"
"Zal God mij dan van u scheuren? Is dat de wil van God?"
"Hier ben ik, en in mijn hart is geloofde, Jezus
gegeven. Niet ben ik een man van dubbeltongigheid,
vader! Jezus is mijn deel in eeuwigheid!"
"Indien ge niet met me meegaat, zal ik u onterven."
Hoe zou ik daarvoor vreezen, nu ik voor Jezus Christus
strijd?"
Toen begreep de vader zijn zoon, gelijk zelden in dit
leven. Hij boog zijn hoofd en ging heen.
Maar ook Amandus verliet het klooster, nadat hij de
stem der wereld had vernomen. En Amandus ging naar
Tours, en hij bad daar bij het graf van den heiligen Martinus.
Hij liet zich het hoofdhaar afsnijden, ten teeken, dat hij God zou behooren,
als een slaaf een meester; en daarna een moede zwerveling gelijk, begaf hij
zich naar Bourges, en daar liet hij zich in een cel opsluiten.
Toen hij dit begon, was hij een jongeling van drie-en-
twintig jaren; en nadat hij zijn cel verliet, rustten reeds
gedachten van oudheid in zijn geest, zooals rimpelen
in een voorhoofd, of voren in akkers, waar goede
zaad wordt gestrooid ter ontkieming. Uit zijn eenzaamheid
reisde hij naar Rome.

Daar had hij een visioen. Tot hem verscheen de
Heilige Petrus, in de gedaante van een ouden man met
vol, grijs haar. Een gouden kroon, in den hemel gesmeed,
droeg hij op 't hoofd. Zijn stem was mild.
"Amandus! bekeer de heidenen van uw land, en uw
winst is in den Hemel!"
Zij, die dit gewin willen verdienen, ach! ze behoeven
niet te hopen op aardsche schatten en de hulde dezer
lage gebieden. Ze gaan als zwervers over de wereld, want
wie in een hecht huis woont, zijn ingewanden eeren de
schepping, niet zijn hart. gelijk het goud in het laaiende
vuur beproefd wordt, zoo de ziel in de ellende.
Amandus werd tot bisschop gewijd, maar hij vestigde
zich geenzins in een stad met harde muren en wachters
aan de poorten, die een ieder vragen het hoe, het vanwaar
en waarheen; met gewapende dienaren in de straten;
met slaven, die zich bij gevaar voor den meester stellen.
Neen, onbeschut als een krijgsman zonder schild, ging hij
tot zijn vijanden, en hij predikte de Kerstenleer in het
heidensche Belgische land. Niemand echter, behalve wel-
licht een enkele vrijgekochte slaaf, luisterde naar hem.
Amandus werd niet ontmoedigd, want hij twijfelde niet.

Hij kwam in de stad Doornik, waar de graaf Dotto op het
marktplein in zijn rechterstoel zal. Men voerde een misda-
diger tot hem, wanhopig-worstelend, hijgende beslijkt, vol
wonden, hem dor ruw geweld geslagen. Hij wrong zich.
Men had moeite hem te houden, terwijl de heerscher opstond.
Het verhoor duurde slechts kort. De galg was reeds
opgericht. Amandus ging rustig door de menigte tot aan
de rechterstoel en hij smeekte om genade. Dotto echter
lachte om zijn woorden, of Amandus een boertige grap
verkondde. De misdadiger werd aan den balk gehangen,
de strop omsloot zijn keel, hij spartelde in de lucht als
een danser, die nieuwe figuren danst, glijdende zwevend,
tot de gordel des doods hem om 't middel begon te sluiten
en hem deed verstijven.
Graaf Dotto bevoelde het lijk, dat afschuwelijk, met de
opgezwollen tong uitgestoken en het gelaat blauw-opgezet,
aan den strop hing. Daarna verliet hij met zijn gevolg de markt.
In een oogwenk was het zéér stil, zoodat menschen
ongemerkt nader konden sluipen.
Amandus bad tot God, die het leven maakt en den
dood, naar Zijn welbehagen.
"Gij gebieder over hemel en aarde", zoo bad hij,
"Graaf Dotto wilde mij den levende niet geven. Om hem
voor den dood te behoeden, wekt gij hem uit den dood
tot het leven terug, opdat het woord van den aardschen
heerscher niet machtig blijke."
Het lijk was door zijn dienaren van de galg genomen
en ze brachten het in zijn eenzame cel, kaal van grond en
muur en zoldering, en in het licht van den avond zagen
de dragers, dat het lijf levenloos was. Maar toen zij waren
heengegaan, rees de zondaar door de macht van Amandus'
gebed, en hij zat op, en ging rusten aan de voeten van den
Heilige.
Den volgenden morgen kwamen de jonge leerlingen,
en ze zagen, dat hun Meester het lichaam van den mis-
dadiger in zijn armen hield. De bisschop zeide:
"Breng mij water" Zij, hem hoordende, meenden, dat
het moest dienen, om een lijk te waschen, maar nadat
ze er mede terug waren gekeerd, zagen ze, dat het moest
dienen, om de kwetsuren van een levende te betten.
Zij, dit aanschouwende, verwonderden zich: dit te meer,
daar de wonden, hoe scherp en diep ze ook lagen onder
het vel erom, genazen ten zelfden oogenblik, dat de drup-
pelen ze raakten. De leerlingen gingen uit om het wonder
te vertellen. Hierop bekeerde zich vele heidenen, die tot
dusver niet hadden geluisterd naar klank en echo. Immers
zij begrepen, dat Amandus' God machtig was zonder weerga.
Op een heuvel stond een afgodsbeeld van zilver gemaakt,
dat de bisschop deed versmelten; het werd omgegoten
in den Zoon Gods, Zijn lichaam aan het kruis geslagen.

Ja, Amandus, hij moest bemind worden, door de men-
schen en door God. Zulk een man, hoe is hij waardig
den koningsknaap te doopen, en het in de waarheid te
onderwijzen. Het kindeke, dat Amandus ten doop hield, werd Sigibert
genaamd. Het werd gedoopt in het gouden licht, dat God
in de kerken zendt, en na het gebed waren allen teeder-
bewogen, gelijk menschen, die een wonder zien. En ieder
vergat, om "amen" te zeggen, en Amandus wachtte.
Toen opende de zuigeling den mond, en luid, zoodat
niemand het meer behoefde te zeggen. Daarna deed
Amandus naar 's konings belofte, en liet niet na, om
de heidenen te onderwijzen als een geduldig leermeester
dit den kindekes doet. Hij voerde hen allen van het kille
woud vol van schaduw naar de vlakte van zonlicht; ze
zochten de bloemen des velds.
Maar den kleinen Sigibert leerde hij naast liefde ook
de wijsheid van te begrijpen, opdat hij over menschen zou
mogen bevelen. Voor den heerscher zijn liefde en wijsheid
als twee bogen; welker pijlen naar één doel zijn gericht.
Sigibert groeide op als een jongeling, die God had leeren
te minnen. Amandus ging voort in zijn werk; velen legden zich
aan zijn voeten, om hem te belijden:
"Vader! Ik heb gezondigd!" En telkens weder was het
hem te moede, gelijk een knaap, die voor het eerst een
feestzaal binnentreedt, en duizelend aan den drempel blijft
staan. Maar een grooter geluk nog dan gewoonlijk beleefde
hij bij de bekeering van ridder Alewijn.
De ridder Alewijn woonde in een kasteel, achter diepe
en donkere wouden gelegen, zoodat de vijanden, die de
ridder wel zoovele had als er mieren zwermen om haar nest,
niet gemakkelijk dicht konden naderen, en wanneer zij
ook deze hindernissen overwonnen, stonden ze voor dikke
muren, door grimmige krijgers bewaakt. De ridder Alewijn
was een zondaar, al had hij het Heilig Doopsel ontvangen;
zijn vrouw Adeltrudis, leed om zijn leven, als om
een wonde in eigen vleesch geslagen. Dikwijls ondervroeg
zij zichzelve met huivering, of Alewijn wel ooit genade waardig
zou zijn. Toen stierf ze, en haar ziel vlood van de aarde, gelijk
een sterke vogel met wijde vleugelspanning. Alewijn boog
zich over haar omhulsel, en hij weeklaagde luid om dezen
dood. Hij ging in zijn kamers heen en weer, en hij ver-
langde naar een stem, die hem troosten wilde. Een naam
werd hem gefluisterd, en zijn geest hield dien vast en
overdacht hem. "Amandus!"

Hij liet zich een snel paard tuigen en hij reed naar den
bisschop. Kwam hij als de trotsche ridder Alewijn, die
gewoon was menschen te buigen als smeden ijzer in het
vuur? Neen, hij trad voor Amandus als een belijdende
zondaar, en berouw en kwelling des geestes deden hem
't hoofd nijgen. Sterker nog, hij knielde neder.
"Mijn vrouw, de edele Adeltrudis is gestorven", zoo
riep hij uit, "en de dood heeft mij beroofd van wat ik
nooit dacht te verliezen. Ik ben als iemand, die zijn leven
lang goud heeft verzameld, en die plotseling ziet, dat alles
werd ontvreemd. Ach, noch radeloozer ben ik, want goud is
terug te winnen, maar nooit de zachte glimlach en de
koele vingers van Adeltrudis, mijn gemalin. Ik kan de
troost niet vinden in jacht en spel en roof. Deze wereld
is voor mij gesloten als een dichte poort. Ik vermag die
niet meer te openen. Geef mij raad!"
Amandus zeide heel verwonderd:
"Wat kan ik u anders voor raad geven, dan dat gij
God zult dienen! Dat zal u tot geluk zijn!"
Nog vele dergelijke woorden sprak hij, en Alewijn zat
bij hem, gelijk een moe man in de schaduw van een boom;
hij rustte van zijn pijn uit. Zij beiden zetten zich naast
elkaar op een bank, twee broeders, die langen tijd zijn ge-
scheiden. Nu waren ze één van gedacht: om God te dienen.
Alewijn begaf zich naar een klooster dichtbij Gent,
waar hij Bavo werd genaamd; door zijn leven en werken
werd hij een heilig man, Sint Bavo, wiens naam nog door
velen wordt geprezen.

Toen stierf de bisschop van Maastricht, de Heilige
Joannes Agnus, stervend, zooals hij had geleefd, met de
hope in God, en hij verlangde den hemel te zien.
Wie moest hem opvolgen? Een ander dan de heilige
Amandus? Sigibert was een man geworden, tot heerschen wel in
staat, en zoo machtig, dat hij zichzelven kon overwinnen.
Hij liet Amandus komen, en zeide tot hem:
"Amandus, ik heb u ontboden, hoewel ik weet, dat u mijn
verzoek tot smart zal strekken. Ik moet u vragen, om bisschop
te zijn in plaats van den heiligen Joannes Agnus."
"Niet alzoo", smeekte Amandus, " weet ge dan niet,
dat ik banneling ben? Moet ik niet blijven zwerven? De
armen en de zieken en de nederigen zijn mijn vrienden.
Zoek een ander."
"Neen, helaas!" antwoordde de koning droeve, "Ik
kan u deze gunst niet verleenen, want wie zou een slechten
herder voor het weiden der kudde begeeren. Weten wij
niet, dat velen afdwalen, en door de wolven verzwolgen worden?


O Amandus, wat zoud ge van den goeden herder
zeggen, die de kudde aan een slechten overliet? Moet hij
zichzelf niet verwijten, wanneer een der schapen afdwaalt,
dat het zijne schuld is?"
"Ge spreekt goed", zeide Amandus vol leed, "en ik
vrees, dat ik de woning der schamelheid zal moeten verlaten,
tegen mijn aard en wil. O, mijn zoon, ge zijt een
stem in mijn geweten geworden!"
Amandus, die van plicht naar hoogere plicht was gegaan,
ach! in smart ging hij tot de hoogste plicht. Immers, die
God waarlijk dient, hem blijft geen keus, en zelfs den
hoogmoed der nederigheid mag hij niet volgen. Hij, die
naar roemloosheid streeft, hem wordt de roem gegeven,
als een zware last aan een kind.
Want die het minst begeert, hij gaat niet ledig uit.
Amandus, als bisschop van Maastricht, deed vele goede
werken, hij bouwde kapellen en bidplaatsen, en zijn woorden
drongen door tot in het land van Venloo, alwaar hij bij
en put een heidene doopte.
De heidenen zijn zeer talrijk en hun hart is verstokt
Maar niet daarom verliet Amandus de stad Maastricht,
Neen, andere nood dreef hem voort tot in de landen der
onherbergzaamheid en spot; hij bedreef vele wonderen,
de zee werd stil-gelegd temidden van een storm, een
heiden, die hem bespotte met onwaardige grimassen, deze
werd den duivel bezeten, en hij moest wel bekennen'
"Ik ben gestraft, omdat ik Amandus, den dienaar Gods,
heb beledigd! "Daarom diende de spotter wel te sterven.
Amandus trok van stad naar stad, van dorp tot dorp, en
hoog hief hij het kruis. Doch voor allen komt het uur,
dat de armen krachteloos worden, al spreken geest en
stem nog. Toen Amandus negentig jaren was, ging hij
naar de abdij Elno, welke hij vroeger had gebouwd. Daar
stierf hij voor 't altaar van Maria, zijne lieve vriendin.
"Ik kan niet bij u blijven", zoo sprak hij tot hen, die
hem omringden, en zijn ziel schreed van zijn aardschen
plicht naar den hemelschen. In 't uur van zijn dood zag
de Heilige Aldegondis een grijsaard gaan, stijgend, en
steunend op zijn staf.
Een stem vroeg haar:
"Kent gij dezen?"
Zij antwoordde naar waarheid:
"Neen!" Toen zeide de stem:
"Dat is Amandus, en zijn ziel gaat de eeuwigheid en
gelukzaligheid tegemoet!"

Aldus was de blijde dood van Amandus, den bisschop van
Maastricht, den bescheiden heilige, die zijn plicht
had vervoerd.

Beschrijving

In de dagen, dat Dagobert als koning over Austrasië heerste, leefde er een heilig man, Amandus geheten.
Amandus groeit op tussen de monniken in een klooster. Nadat zijn vader hem heeft bezocht, verlaat hij het klooster en na een lange tocht beland hij in Rome. Daar krijgt hij een visioen van de Heilige Petrus met de opdracht om heidenen te bekeren. Bijna niemand luistert naar hem, totdat hij een dode tot leven weet te wekken. Vanaf die dag bekeren zich vele heidenen, waaronder de ridder Alewijn, die later bekend is geworden als de heilige Sint Bavo.

Omdat de koning in zonde leefde, besluit Amandus op een dag langs te gaan bij het om de koning toe te spreken. De koning ontsteekt in woede en verbant Amandus naar het land van Gasconje. Op een dag krijgt de koning een kind, Sigibert genoemd. De koning besluit dat Amandus degene moet zijn die het kind zal dopen en opvoeden. Hij ontbiedt Amandus aan het hof en vraagt hem vergiffenis voor zijn daden. Daarna vraagt de koning Amandus of hij zijn zoon wil dopen en opvoeden. Amandus twijfelt, maar laat zich overhalen door de raadslieden van de koning. Als Sigibert een man is geworden, sterft de bisschop van Maastricht. Sigibert draagt Amandus op om diens plaats in te nemen. En zo ging Amandus van plicht naar hogere plicht. Na vele goede daden zwierf Amandus als bisschop zonder bisdom over de wereld.Hij bedreef vele wonderen tot op de dag dat hij stierf. Zijn ziel ging de eeuwigheid en gelukzaligheid tegemoet.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 78

Commentaar

1919

Naam Overig in Tekst

Dagobert    Dagobert   

Maandus    Maandus   

Austrasië    Austrasië   

Gomantrudis    Gomantrudis   

Misoffer    Misoffer   

Gasconje    Gasconje   

Christus    Christus   

Eligius    Eligius   

Serenus    Serenus   

Amantia    Amantia   

Ogia    Ogia   

Martinus    Martinus   

Petrus    Petrus   

Dotto    Dotto   

Zoon gods    Zoon gods   

Sigibert    Sigibert   

Alewijn    Alewijn   

Adeltrudis    Adeltrudis   

Bavo    Bavo   

Joannes Agnus    Joannes Agnus   

Elno    Elno   

Aldegonis    Aldegonis   

Jezus    Jezus   

Naam Locatie in Tekst

god    god   

Dado    Dado   

Bourges    Bourges   

Tours    Tours   

Rome    Rome   

Hemel    Hemel   

Belgiê    Belgiê   

doornik    doornik   

Gent    Gent   

Maastricht    Maastricht   

Venloo    Venloo   

maria    maria   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20