Hoofdtekst
De ongewijde klokken van Swolgen.
De Duivel houdt van verdorven zielen en van ongewijde klokken. Hij vaart van zijn diepe woning naar de aarde, om een dezer schatten te veroveren.
Hij ziet wel uit zijn oogen.
Bewijs: de vele goede zielen, die hij opgeschreven heeft ter eeuwige verdoemenis.
Bewijs: de slechtheid der menschen, die huichelen en bedriegen, God's naam noemen en elkander haten.
Bewijs ten derde: de bespotting der eerlijkheid; de eenzaamheid der goede menschen; de hulpbehoevendheid van den ouderdom; de uittarding der jeugd.
Bewijs ten vierde: de klokkekuil van Swolgen, waarin iederen Kerstnacht de duivelsklokken klinken.
De duivel kwam de kerk van Swolgen voorbij, speurend naar buit, gelijk zijn gewoonte van oudsher is. Hij liep langzaam, keek alle richtingen uit, en ten slotte bleef hij staan, naar de toren turend.
"Nieuwe klokken," peinsde hij, "het zal me verwonderen, of ze gewijd zijn!" Hij schudde het hoofd. "De menschen zijn er tegenwoordig zoo vlug bij. Het zal me niet lukken."
Toch stelde hij zich in de schaduw der boomen, en beidde zijn tijd. Zoo nu en dan streek hij zenuwachtig langs den baard. Wilden de ewerklieden nimmer heengaan?
Eindelijk begon de avond, en de arbeiders zeiden elkaaar goedendag.
"Tot morgen, Jozef!"
"Tot morgen, Herman!"
"Tot morgen, Adolf!"
De Duivel in zijn schuilhoek hoorde het, en glimlachte.
Nog even wachten! Hoep! daar hief hij zichzelf in de hoogte. tastend omvloog hij den toren, en eensklaps greep hij met vreeze naar de klokken. Zoo ze oonwrikbaar waren, hadden de menschen ze reeds gewijd. Zoo hij ze verroeren kon, moesten ze nog gewijd worden, en behoorden ze den Duivel. Hij greep, en greep goed!
Schaterend vloog hij met de klokken door de lucht, blij om deze overwinning, op God behaald. Hij droeg ze tot aan de kolken, en hoog van boven liet hij ze vallen, dat het water op-spatte.
Wie er den Kerstnacht heengaat, hij hoort ze luiden, en daarom noemt men de wateren; de Klokkekuil.
De Duivel houdt van verdorven zielen en van ongewijde klokken. Hij vaart van zijn diepe woning naar de aarde, om een dezer schatten te veroveren.
Hij ziet wel uit zijn oogen.
Bewijs: de vele goede zielen, die hij opgeschreven heeft ter eeuwige verdoemenis.
Bewijs: de slechtheid der menschen, die huichelen en bedriegen, God's naam noemen en elkander haten.
Bewijs ten derde: de bespotting der eerlijkheid; de eenzaamheid der goede menschen; de hulpbehoevendheid van den ouderdom; de uittarding der jeugd.
Bewijs ten vierde: de klokkekuil van Swolgen, waarin iederen Kerstnacht de duivelsklokken klinken.
De duivel kwam de kerk van Swolgen voorbij, speurend naar buit, gelijk zijn gewoonte van oudsher is. Hij liep langzaam, keek alle richtingen uit, en ten slotte bleef hij staan, naar de toren turend.
"Nieuwe klokken," peinsde hij, "het zal me verwonderen, of ze gewijd zijn!" Hij schudde het hoofd. "De menschen zijn er tegenwoordig zoo vlug bij. Het zal me niet lukken."
Toch stelde hij zich in de schaduw der boomen, en beidde zijn tijd. Zoo nu en dan streek hij zenuwachtig langs den baard. Wilden de ewerklieden nimmer heengaan?
Eindelijk begon de avond, en de arbeiders zeiden elkaaar goedendag.
"Tot morgen, Jozef!"
"Tot morgen, Herman!"
"Tot morgen, Adolf!"
De Duivel in zijn schuilhoek hoorde het, en glimlachte.
Nog even wachten! Hoep! daar hief hij zichzelf in de hoogte. tastend omvloog hij den toren, en eensklaps greep hij met vreeze naar de klokken. Zoo ze oonwrikbaar waren, hadden de menschen ze reeds gewijd. Zoo hij ze verroeren kon, moesten ze nog gewijd worden, en behoorden ze den Duivel. Hij greep, en greep goed!
Schaterend vloog hij met de klokken door de lucht, blij om deze overwinning, op God behaald. Hij droeg ze tot aan de kolken, en hoog van boven liet hij ze vallen, dat het water op-spatte.
Wie er den Kerstnacht heengaat, hij hoort ze luiden, en daarom noemt men de wateren; de Klokkekuil.
Onderwerp
SINSAG 0980 - Der Glockenpfuhl.   
Beschrijving
De duivel houdt van verdorven zielen en van ongewijde klokken.
Op een dag kwam hij langs de kerk van Swolgen. Hij bemerkte dat arbeiders nieuwe klokken in de toren aan het hangen waren. Hij vroeg zich af of de klokken al gewijd waren. Hij stelde zich op in de schaduw en wachtte tot het moment dat de arbeiders naar huis zouden gaan. Toen de arbeiders weg waren, vloog hij naar de klokken in de toren. Als ze onwrikbaar waren, hadden de mensen ze reeds gewijd. Als ze echter te verroeren waren, behoorden ze aan de duivel toe.
Hij greep naar de klokken, die los bleken te zitten. Schaterend vloog hij met de klokken door de lucht. Hij liet ze vallen boven het water; daar hoort men ze nog elke kerstnacht luiden. Men noemt het water daarom: de klokkenkuil.
Op een dag kwam hij langs de kerk van Swolgen. Hij bemerkte dat arbeiders nieuwe klokken in de toren aan het hangen waren. Hij vroeg zich af of de klokken al gewijd waren. Hij stelde zich op in de schaduw en wachtte tot het moment dat de arbeiders naar huis zouden gaan. Toen de arbeiders weg waren, vloog hij naar de klokken in de toren. Als ze onwrikbaar waren, hadden de mensen ze reeds gewijd. Als ze echter te verroeren waren, behoorden ze aan de duivel toe.
Hij greep naar de klokken, die los bleken te zitten. Schaterend vloog hij met de klokken door de lucht. Hij liet ze vallen boven het water; daar hoort men ze nog elke kerstnacht luiden. Men noemt het water daarom: de klokkenkuil.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 129-130
Commentaar
1919
Der Glockenpfuhl
Naam Overig in Tekst
Swolgen   
Duivel   
God   
Kerstnacht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
