Hoofdtekst
De marskramer.
De marskramer, die op gezette tijden het Limburgsche
land bezocht, legde een oogenblik het zwarte pak
van den schouder, veegde zich het zweet van het
voorhoofd, en zette zich daarna aan den berm van den weg.
"Hu!hu!" kreunde hij zachtjes, " 't is warm vandaag",
Een oude man kwam hem voorbij, en begon een gemak-
kelijk praatje.
"Waar gaat de reis naar toe?"
"Naar den heer van Rijckholt. Ik heb mooi goed bij me."
"Ze zullen je daar wel wat afkoopen."
"Och ja...och ja....'t is anders zwaar werk."
Langzaam stond hij op, sjorde de mars op zijn rug,
en ging zijn weg. Zoo nu en dan bleef hij staan, om zich
weer het zweet van het voorhoofd te wisschen.
In den laten avond bereikte hij den huize Rijckholt.
Maar men was blijde met zijn komst. Hij werd onmiddellijk
in de zaal gelaten, en men noodigde hem uit, zijn schatten
te toonen, men ontstak de kaarsen.
En uit de mars, hoe klein ze geleek, kwam van alles te
voorschijn, tot het meest-onverwachte en kostbare.
Een zakdoek voor den jongen fat, en een kraagje van
Brusselsche kant. Een halssnoer van blinkende kraken
voor het dienstmeisje, en van paarlen voor mevrouw. Een
ring, die de meisjes deed blozen, een barnsteenen pijpje
met goud belegd, reukwerk, kousen, dansschoentjes, een
fluit, en papier, om brieven op te schrijven. Een ivoren
naaldenkoker, een zilveren vingerhoed, een gouden speld.
Allemaal dingsigheidjes, die tot koopen lokken.
De marskramer wist wel, hoe hij het best zijn waren
kon prijzen. Hij zeide niets. Hij legde de zakdoekjes, de
kantjes op het deftige tafelblad, zoodat ze heel wuft en
plezierig om te bezitten leken. Hij liet de kralen en de
paarlen voortdurend over zijn vingers vloeiden, zoodat het
licht er begeerig in speelde, en de vrouwenoogen groot
werden, als ze er naar keken; want ze moesten wel denken:
"Hoe zal het mij staan?" en ze verbeeldden zich, dat
ze door een zaal schreden. Een menuet werd gespeeld....
en ze zagen vóór zich, hoe hun danser verblind staarde
naar 't flikkeren om haar witten hals.
Naar het papier keek de kramer heelemaal niet om.
Dat werd zooveel hij dit wilde verkocht. Men had het
noodig, want anders zou niemand op de heerlijkheid
Rijckholt brieven kunnen schrijven. Hij lette alleen op de
kostbaarheden, en hij koos in den heimelijken strijd tusschen
de vrouwen en mannen voor de eersten stil partij.
Daarna kreeg hij een stevig maal, en men gaf hem een
bedstede voor den nacht. Hij sliep rustig, ontwaakte vroeg,
bond de mars weder op zijn rug, en verliet de heerlijkheid.
Juist op de grens van Rijckholt haalde hem een dienaar
in, en deze pakte hem bij den schouder.
"De heer van Rijckholt wilde u nog spreken". Hoewel
de greep zeer hardhandig aankwam, dacht de marskramer
aan niest kwaads. Hij trad dezelfde zaal binnen waar hij
den vorigen avond zoo goed en feestelijk was ontvangen.
De heer van Rijckholt liep heen weer.
"We missen hier een ring", snauwde hij, "en jij zult
wel weten, waar hij is!"
"Ik?" vroeg de marskramer verwonderd. "Hoe zou ik
dat weten?"
"We zullen je wel laten bekennen. Denk maar eerst in
den toren over je zonde na!"
De arme marskramer zat in zijn enge gevangenis, en
deed zijn hoofd tusschen zijn armen steunen. Hij was
onschuldig, doch wie zou hem willen gelooven? Den vol-
gende dag voerde men hem voor drost en schepenen.
De drost was een heel streng man, die de dingen fel-kort
zeide. Van te voren voelde hij zich al van de schuld der
beklaagden overtuigd. dat men hen vóór hem leidde, in
boeien geklonken, was bewijs genoeg voor hem.
"Ontken je?"
"Ja, edele heer." De marskramer viel op zijn knieën
neer. "Ik ben onschuldig als een duif in het veld!"
"Hoe kom je toch aan alle waar, die je te koop aanbiedt?"
"Die heb ik eerlijk verdiend."
"Heb je er niet heel wat van gestolen?"
"God is mijn getuige, dat ik onschuldig ben". De drost
stond toornig op en bedreigde hem met de pijnbank.
"Weet wel, wat ge doet — we zullen u de waarheid
wel uit 't lichaam rukken."
Hierna werd de kramer in een schermerlichten kelder
gevoerd, waar hem een man wachtte in een scharlaken rood
kleed. Deze hield in zijn handen een wit, tweesnijdend
zwaard, en hij bleef onbeweeglijk staan, terwijl de mars-
kramer werd binnengevoerd.
"Zie maar gerust om je heen", zeide de drost. " ik zou
in jouw geval bekennen."
Hij nam achteloos een paar ijzeren pinnen van de tafel.
"Zie eens", lachte hij, "die maken we rood gloeiend
en leggen ze tegen je tong, tot je wilt bekennen. Hier is
een ware Jakobsladder — daar kunnen we je leden op
rekken. Zie je dat vuur branden? We binden je vast, en
kittelen je voetzolen door de vlam. Heb je wel eens onder
den heeten drop gestaan? We laten een drop ziedende
olie op dezelfde plaats van je schedel vallen, voortdurend.
hahaha! de duimschroeven. De duimschroeven, man! Die
kan ongeveer niemand ter wereld verdragen. We hebben
ook kleine stokjes, om onder de nagels van vingers en
teenen te stoppen.
We kunnen je ook geeselen met heel dunne koortjes....
die worden erger dan messen, wanneer we je lang genoeg slaan!"
"houd op, houd op!" smeekte de marskramer.
"Dus je zult eindelijk bekennen?"
"Hoe kan ik bekennen. wat ik biet gedaan heb? Dat
is immers voor God en de menschen onmogelijk".
"Genoeg!" De drost wenkte den beul, en deze knikte
kort. Hij ging heen, en kwam een oogenblik later met
een bundel rijshout terug. Vervolgens bond hij den marskramer
zoo wel, dat deze geen lid meer kon verroeren, en hij
smeet hem ter aarde gelijk een bundel zonder waarde.
Toen riep hij zijn knecht, die vuur ontstak en blokken op
de vlammen wierp. De beul greep zijn slachtoffer bij de
enkels vast en hield de onderzijden zijner voeten vlak
bij den gloed, zoodat het vel werd geroosterd en toch niet
verbrand. Eerst begon de beklaagde zachtkens te steunen.
"Hou den voet nog maar iets dichter bij het vuur",
riep de drost met kennersblik.
"Hij heeft net precies genoeg", zei de beul, maar hij
deed, wat hem bevolen was.
eender schepenen zette zich bij de tafel, nam een veeren
pen, en wachtte, tot de marskramer zou belijden.
"Heb je het gedaan?" vroeg de drost. De gemartelde gilde.
"Neen — neen —neen!"
"Geef hem nog een oogenblik de vlam. Gooi nog wat
blokken op het vuur."
Eindelijk kon de man de pijn niet langer verdragen,
Hij trachtte zich te kronkelen, het hielp hem niet.
"Als ik beken — als ik beken — houdt 't dan op? —
als ik beken —".
"als je bent", vleide hem de drost, "wordt je van
het vuur weggetrokken. Wat beken je? Denk erom, dat
je het uit vrije wil doet! Schepen, schrijf op! Je bekent,
dat je in den huize bent gekomen, met de gedachte, om
er te stelen?"
"Ja,ja,ja ik beken....Houdt dan dadelijk?...."
"Neen, niet dadelijk. We hebben alle feiten noodig. Je
hebt je koopwaar op tafel gelegd, en toen...."
"Heb ik verkocht!" De schrijvende schepen voer
tegen hem uit.
'We hebben nog folters genoeg. Zeg toch, man, dat
je gestolen hebt."
"Ik heb gestolen, ja,ja. Verscholen gestolen, hahahaha."
"Ben je gek geworden?"
"Hij bekent!"
"Ik beken — dat ik ben — jajaja.....Ik ben een dief."
"En waar ben je met den ring gebleven?"
"Met den ring, leelijk ding, hoor ik zing. tralaralieri,
tralarala. Zal ik bekennen, dat ik je vrouw heb gekust,
drost? Hahaha. Gekust met lust.
Zal ik bekennen, dat ik jou heb vermoord schepen?
Vermoord, ongehoord. Hoep!Hoep!Hoep! Daar komen
de Franschen aan. Ann, gaan,, maan. Ik zal den generaal
nooden. Dooden-doo-ooden. Beul, je zwaard — Maart — kaart.
drost! zullen we spelen, Spééélen?!"
"Laat hem bijkomen", zei de drost.
Zij wachten geduldig, terwijl de beul hem van het vuur
afschoof. Ze lieten hem raaskallen, haalden hun pijpen te
voorschijn en begonnen rustig te rooken: aan de uit-
smeulende vlam, waaraan de mensch gepijnigd was, staken
zij de tabak aan.
"Hij heeft bekend", riep de drost uit, De schepenen
knikten. Hij kan niet meer vrij komen."
De woorden van den veroordeelde werden al zeer ver-
ward en temidden van zijn pijn sliep hij plots in.
"Hallo beul, maak 'm wakker. De kerel snurkt."
De beul gaf hem een trap, als een ruwe vilder het paard,
dat hij slachten zal. De arme kerel schrok weer overeind
en begon zachtjes te kreunen, toen hij de menschen zag, die
om hem heen stonden. De drost naderde hem.
"Het heeft nu lang genoeg geduurd! Vertel ons, wat
er gebeurt is."
"Waar heb ik den ring zien liggen? Zeg me heeren,
waar ik den ring heb zien liggen, en ik zal bekennen, waar
ik den ring heb zien liggen! was hij in de zaal, was hij
in de slaapkamer? In Godsnaam, zeg me, vóór de beul
weer begint, waar ik den ring heb gevonden. Hoe zag de
ring er uit?" Hij begon te schreien. "Bij wat ge liefhebt,
zeg me, hoe de ring er uit zag. Ik heb veel ringen gezien.
Hoe zal ik den éénen kunnen beschrijven, als ge 't niet
zegt" Hij kroop op zijn knieën en omklemde de voeten
van den drost. "Was het een diamanten ring? Waren er
paarlen in, opalen, een smaragd? Hij was van goud, nietwaar?
waren er letters in gegraveerd? welke letters? Ik wil de
letters, die gij noemt, herhalen, en zweren, dat ik
hem juist om de letters heb gestolen. Waar wilt ge, dat
ik den ring heb weggeworpen? Zal ik zeggen: in het water.
Of wilt ge liever, dat ik de ring verstopt heb?"
"Als je zegt, dat je hem in de slaapkamer hebt gevonden."
"Ik heb hem in de slaapkamer gevonden."
"Schrijf op, schepenen, schrijf op. En waar hebt ge den
ring gelaten?"
"Toen ik hoorde, dat er iemand achter me kwam, heb
ik hem in het water gegooid!"
"Schrijf op, schepen, schrijf op. Een bekentenis buiten
pijn en banden. Je hebt zeker meer gestolen."
"Altijd, zoolang ik een eerlijk man ben geweest."
"Wat heb je dus verdiend?"
"De galg, edele drost, en laat het zoo gauw mogelijk
voorbij zijn."
Men voerde hem naar zijn kerker terug. De drost ging
den heer van Rijckholt zeggen, dat de marskramer had
bekend, en spoedig werd het vonnis geveld: den dood
door het koord.
Men richtte de galg op aan de grens van het Rijckholtsch
gebied.
Nu wilde de wet, dat degene, die op bepaald land was
veroordeeld, niet over anderen grond mocht gaan, en
daarom moest men een stuk heg kappen, waardoor
het laatste pad van den marskramer liep. Terwijl men hem
naar de galg geleidde, riep hij niets dan:
"Ik ben onschuldig heeren, ik heb alleen door pijn
bekend!"
men geloofde hem niet. Men ging hem aan de galg,
en binnen eenige minuten was hij gewurgd.
De heer van Rijckholt beval, dat men de heg weer zou
doen ingroeien.
maar het volgend jaar was de opening, waardoor men
den onschuldigen geleid had, even groot gebleven. En ook
het jaar daarna zag men, dat de heg niet meer groeien wilde.
Reeds begon de heer van Rijckholt te twijfelen. Was
dan de dief onder zijn personeel?
Een dag klom de oudste zoon van den tuinman in een
boom, om het eksternest, dat hij gezien had, uit te halen.
en hij vond den ring. Hij bracht hem aan zijn vader.
Toen men den heer van Rijckholt het juweel reikte, werd
hij bleek. In zijn toorn beval hij, dat drost en schepenen
bij hem moesten komen. Hij veroordeelde hen tot hoog
boete, en om hun schuld verder te voldoen, moesten zij
blootshoofds en blootsvoets ten bedevaart gaan.
Ook dit heeft niet gebaat.
Want nooit heeft deze vervloekte heg, willen groeien,
en een opening is er gebleven; er moet ook op deze
aarde voor gepijnigde zielen ruimte blijven.
De marskramer, die op gezette tijden het Limburgsche
land bezocht, legde een oogenblik het zwarte pak
van den schouder, veegde zich het zweet van het
voorhoofd, en zette zich daarna aan den berm van den weg.
"Hu!hu!" kreunde hij zachtjes, " 't is warm vandaag",
Een oude man kwam hem voorbij, en begon een gemak-
kelijk praatje.
"Waar gaat de reis naar toe?"
"Naar den heer van Rijckholt. Ik heb mooi goed bij me."
"Ze zullen je daar wel wat afkoopen."
"Och ja...och ja....'t is anders zwaar werk."
Langzaam stond hij op, sjorde de mars op zijn rug,
en ging zijn weg. Zoo nu en dan bleef hij staan, om zich
weer het zweet van het voorhoofd te wisschen.
In den laten avond bereikte hij den huize Rijckholt.
Maar men was blijde met zijn komst. Hij werd onmiddellijk
in de zaal gelaten, en men noodigde hem uit, zijn schatten
te toonen, men ontstak de kaarsen.
En uit de mars, hoe klein ze geleek, kwam van alles te
voorschijn, tot het meest-onverwachte en kostbare.
Een zakdoek voor den jongen fat, en een kraagje van
Brusselsche kant. Een halssnoer van blinkende kraken
voor het dienstmeisje, en van paarlen voor mevrouw. Een
ring, die de meisjes deed blozen, een barnsteenen pijpje
met goud belegd, reukwerk, kousen, dansschoentjes, een
fluit, en papier, om brieven op te schrijven. Een ivoren
naaldenkoker, een zilveren vingerhoed, een gouden speld.
Allemaal dingsigheidjes, die tot koopen lokken.
De marskramer wist wel, hoe hij het best zijn waren
kon prijzen. Hij zeide niets. Hij legde de zakdoekjes, de
kantjes op het deftige tafelblad, zoodat ze heel wuft en
plezierig om te bezitten leken. Hij liet de kralen en de
paarlen voortdurend over zijn vingers vloeiden, zoodat het
licht er begeerig in speelde, en de vrouwenoogen groot
werden, als ze er naar keken; want ze moesten wel denken:
"Hoe zal het mij staan?" en ze verbeeldden zich, dat
ze door een zaal schreden. Een menuet werd gespeeld....
en ze zagen vóór zich, hoe hun danser verblind staarde
naar 't flikkeren om haar witten hals.
Naar het papier keek de kramer heelemaal niet om.
Dat werd zooveel hij dit wilde verkocht. Men had het
noodig, want anders zou niemand op de heerlijkheid
Rijckholt brieven kunnen schrijven. Hij lette alleen op de
kostbaarheden, en hij koos in den heimelijken strijd tusschen
de vrouwen en mannen voor de eersten stil partij.
Daarna kreeg hij een stevig maal, en men gaf hem een
bedstede voor den nacht. Hij sliep rustig, ontwaakte vroeg,
bond de mars weder op zijn rug, en verliet de heerlijkheid.
Juist op de grens van Rijckholt haalde hem een dienaar
in, en deze pakte hem bij den schouder.
"De heer van Rijckholt wilde u nog spreken". Hoewel
de greep zeer hardhandig aankwam, dacht de marskramer
aan niest kwaads. Hij trad dezelfde zaal binnen waar hij
den vorigen avond zoo goed en feestelijk was ontvangen.
De heer van Rijckholt liep heen weer.
"We missen hier een ring", snauwde hij, "en jij zult
wel weten, waar hij is!"
"Ik?" vroeg de marskramer verwonderd. "Hoe zou ik
dat weten?"
"We zullen je wel laten bekennen. Denk maar eerst in
den toren over je zonde na!"
De arme marskramer zat in zijn enge gevangenis, en
deed zijn hoofd tusschen zijn armen steunen. Hij was
onschuldig, doch wie zou hem willen gelooven? Den vol-
gende dag voerde men hem voor drost en schepenen.
De drost was een heel streng man, die de dingen fel-kort
zeide. Van te voren voelde hij zich al van de schuld der
beklaagden overtuigd. dat men hen vóór hem leidde, in
boeien geklonken, was bewijs genoeg voor hem.
"Ontken je?"
"Ja, edele heer." De marskramer viel op zijn knieën
neer. "Ik ben onschuldig als een duif in het veld!"
"Hoe kom je toch aan alle waar, die je te koop aanbiedt?"
"Die heb ik eerlijk verdiend."
"Heb je er niet heel wat van gestolen?"
"God is mijn getuige, dat ik onschuldig ben". De drost
stond toornig op en bedreigde hem met de pijnbank.
"Weet wel, wat ge doet — we zullen u de waarheid
wel uit 't lichaam rukken."
Hierna werd de kramer in een schermerlichten kelder
gevoerd, waar hem een man wachtte in een scharlaken rood
kleed. Deze hield in zijn handen een wit, tweesnijdend
zwaard, en hij bleef onbeweeglijk staan, terwijl de mars-
kramer werd binnengevoerd.
"Zie maar gerust om je heen", zeide de drost. " ik zou
in jouw geval bekennen."
Hij nam achteloos een paar ijzeren pinnen van de tafel.
"Zie eens", lachte hij, "die maken we rood gloeiend
en leggen ze tegen je tong, tot je wilt bekennen. Hier is
een ware Jakobsladder — daar kunnen we je leden op
rekken. Zie je dat vuur branden? We binden je vast, en
kittelen je voetzolen door de vlam. Heb je wel eens onder
den heeten drop gestaan? We laten een drop ziedende
olie op dezelfde plaats van je schedel vallen, voortdurend.
hahaha! de duimschroeven. De duimschroeven, man! Die
kan ongeveer niemand ter wereld verdragen. We hebben
ook kleine stokjes, om onder de nagels van vingers en
teenen te stoppen.
We kunnen je ook geeselen met heel dunne koortjes....
die worden erger dan messen, wanneer we je lang genoeg slaan!"
"houd op, houd op!" smeekte de marskramer.
"Dus je zult eindelijk bekennen?"
"Hoe kan ik bekennen. wat ik biet gedaan heb? Dat
is immers voor God en de menschen onmogelijk".
"Genoeg!" De drost wenkte den beul, en deze knikte
kort. Hij ging heen, en kwam een oogenblik later met
een bundel rijshout terug. Vervolgens bond hij den marskramer
zoo wel, dat deze geen lid meer kon verroeren, en hij
smeet hem ter aarde gelijk een bundel zonder waarde.
Toen riep hij zijn knecht, die vuur ontstak en blokken op
de vlammen wierp. De beul greep zijn slachtoffer bij de
enkels vast en hield de onderzijden zijner voeten vlak
bij den gloed, zoodat het vel werd geroosterd en toch niet
verbrand. Eerst begon de beklaagde zachtkens te steunen.
"Hou den voet nog maar iets dichter bij het vuur",
riep de drost met kennersblik.
"Hij heeft net precies genoeg", zei de beul, maar hij
deed, wat hem bevolen was.
eender schepenen zette zich bij de tafel, nam een veeren
pen, en wachtte, tot de marskramer zou belijden.
"Heb je het gedaan?" vroeg de drost. De gemartelde gilde.
"Neen — neen —neen!"
"Geef hem nog een oogenblik de vlam. Gooi nog wat
blokken op het vuur."
Eindelijk kon de man de pijn niet langer verdragen,
Hij trachtte zich te kronkelen, het hielp hem niet.
"Als ik beken — als ik beken — houdt 't dan op? —
als ik beken —".
"als je bent", vleide hem de drost, "wordt je van
het vuur weggetrokken. Wat beken je? Denk erom, dat
je het uit vrije wil doet! Schepen, schrijf op! Je bekent,
dat je in den huize bent gekomen, met de gedachte, om
er te stelen?"
"Ja,ja,ja ik beken....Houdt dan dadelijk?...."
"Neen, niet dadelijk. We hebben alle feiten noodig. Je
hebt je koopwaar op tafel gelegd, en toen...."
"Heb ik verkocht!" De schrijvende schepen voer
tegen hem uit.
'We hebben nog folters genoeg. Zeg toch, man, dat
je gestolen hebt."
"Ik heb gestolen, ja,ja. Verscholen gestolen, hahahaha."
"Ben je gek geworden?"
"Hij bekent!"
"Ik beken — dat ik ben — jajaja.....Ik ben een dief."
"En waar ben je met den ring gebleven?"
"Met den ring, leelijk ding, hoor ik zing. tralaralieri,
tralarala. Zal ik bekennen, dat ik je vrouw heb gekust,
drost? Hahaha. Gekust met lust.
Zal ik bekennen, dat ik jou heb vermoord schepen?
Vermoord, ongehoord. Hoep!Hoep!Hoep! Daar komen
de Franschen aan. Ann, gaan,, maan. Ik zal den generaal
nooden. Dooden-doo-ooden. Beul, je zwaard — Maart — kaart.
drost! zullen we spelen, Spééélen?!"
"Laat hem bijkomen", zei de drost.
Zij wachten geduldig, terwijl de beul hem van het vuur
afschoof. Ze lieten hem raaskallen, haalden hun pijpen te
voorschijn en begonnen rustig te rooken: aan de uit-
smeulende vlam, waaraan de mensch gepijnigd was, staken
zij de tabak aan.
"Hij heeft bekend", riep de drost uit, De schepenen
knikten. Hij kan niet meer vrij komen."
De woorden van den veroordeelde werden al zeer ver-
ward en temidden van zijn pijn sliep hij plots in.
"Hallo beul, maak 'm wakker. De kerel snurkt."
De beul gaf hem een trap, als een ruwe vilder het paard,
dat hij slachten zal. De arme kerel schrok weer overeind
en begon zachtjes te kreunen, toen hij de menschen zag, die
om hem heen stonden. De drost naderde hem.
"Het heeft nu lang genoeg geduurd! Vertel ons, wat
er gebeurt is."
"Waar heb ik den ring zien liggen? Zeg me heeren,
waar ik den ring heb zien liggen, en ik zal bekennen, waar
ik den ring heb zien liggen! was hij in de zaal, was hij
in de slaapkamer? In Godsnaam, zeg me, vóór de beul
weer begint, waar ik den ring heb gevonden. Hoe zag de
ring er uit?" Hij begon te schreien. "Bij wat ge liefhebt,
zeg me, hoe de ring er uit zag. Ik heb veel ringen gezien.
Hoe zal ik den éénen kunnen beschrijven, als ge 't niet
zegt" Hij kroop op zijn knieën en omklemde de voeten
van den drost. "Was het een diamanten ring? Waren er
paarlen in, opalen, een smaragd? Hij was van goud, nietwaar?
waren er letters in gegraveerd? welke letters? Ik wil de
letters, die gij noemt, herhalen, en zweren, dat ik
hem juist om de letters heb gestolen. Waar wilt ge, dat
ik den ring heb weggeworpen? Zal ik zeggen: in het water.
Of wilt ge liever, dat ik de ring verstopt heb?"
"Als je zegt, dat je hem in de slaapkamer hebt gevonden."
"Ik heb hem in de slaapkamer gevonden."
"Schrijf op, schepenen, schrijf op. En waar hebt ge den
ring gelaten?"
"Toen ik hoorde, dat er iemand achter me kwam, heb
ik hem in het water gegooid!"
"Schrijf op, schepen, schrijf op. Een bekentenis buiten
pijn en banden. Je hebt zeker meer gestolen."
"Altijd, zoolang ik een eerlijk man ben geweest."
"Wat heb je dus verdiend?"
"De galg, edele drost, en laat het zoo gauw mogelijk
voorbij zijn."
Men voerde hem naar zijn kerker terug. De drost ging
den heer van Rijckholt zeggen, dat de marskramer had
bekend, en spoedig werd het vonnis geveld: den dood
door het koord.
Men richtte de galg op aan de grens van het Rijckholtsch
gebied.
Nu wilde de wet, dat degene, die op bepaald land was
veroordeeld, niet over anderen grond mocht gaan, en
daarom moest men een stuk heg kappen, waardoor
het laatste pad van den marskramer liep. Terwijl men hem
naar de galg geleidde, riep hij niets dan:
"Ik ben onschuldig heeren, ik heb alleen door pijn
bekend!"
men geloofde hem niet. Men ging hem aan de galg,
en binnen eenige minuten was hij gewurgd.
De heer van Rijckholt beval, dat men de heg weer zou
doen ingroeien.
maar het volgend jaar was de opening, waardoor men
den onschuldigen geleid had, even groot gebleven. En ook
het jaar daarna zag men, dat de heg niet meer groeien wilde.
Reeds begon de heer van Rijckholt te twijfelen. Was
dan de dief onder zijn personeel?
Een dag klom de oudste zoon van den tuinman in een
boom, om het eksternest, dat hij gezien had, uit te halen.
en hij vond den ring. Hij bracht hem aan zijn vader.
Toen men den heer van Rijckholt het juweel reikte, werd
hij bleek. In zijn toorn beval hij, dat drost en schepenen
bij hem moesten komen. Hij veroordeelde hen tot hoog
boete, en om hun schuld verder te voldoen, moesten zij
blootshoofds en blootsvoets ten bedevaart gaan.
Ook dit heeft niet gebaat.
Want nooit heeft deze vervloekte heg, willen groeien,
en een opening is er gebleven; er moet ook op deze
aarde voor gepijnigde zielen ruimte blijven.
Beschrijving
Een marskramer gaat op bezoek bij de heer van Rijckholt. Hij verkoopt er veel van zijn waar. De volgende dag gaat hij weer op pad, vlak voor de grens wordt hij teruggehaald door een dienaar. Te huize Rijckholt wordt hij beschuldigd van de diefstal van en ring. De marskramer, die onschuldig is, ontkend maar wordt niet geloofd. Hierop wordt hij zo erg gemarteld dat hij uiteindelijk bekend. Men richtte een galg op aam de grens van het Rijckholt gebied. Nu wilde de wet, dat degene, die op bepaald land was veroordeeld, niet over ander land mocht gaan, en daarom moest men een stuk heg kappen, waardoor het laatste pad van de marskramer liep. Hoewel de marskramer onschuldig was, toch werd hij opgehangen. Maar sindsdien is de heg vervloekt en groeide de heg niet meer aan. Een tijd later wordt de ring gevonden in een ekster nest. De drost en schepenen die hem veroordeeld hebben, worden te bedevaart gezonden.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p 268
Commentaar
1919
Naam Overig in Tekst
God   
Naam Locatie in Tekst
Limburg   
Rijckholt   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
