Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN66 - Wildervank

Een sage (boek), 1919

cohen21.jpg

Hoofdtekst

Wildervank

Toen er nog veel grond in 't Noorden van ons land
onbewoond was, en ook geen mensch tot huis-
vesting lokte, zwierven er een man en een vrouw
over de venen, en ze bezagen den onbarmhartigen grond.
Wildervank heetten ze, en ze leefden slechts voor één
gedachte, om de woestenij rijk te maken voor het nage-
slacht. Wat de zware last is op de schouders van een
vermoeit man, zoo werd voor hen dit verlangen.
want het veld was onafzienbaar-vaal, en de plassen,
die tusschen de dorheid lagen, waren nooit schitterende — :
hoe ook de zon scheen, de oppervlakte van het starre
waterduister werd zelfs niet glanzend, hoogstens misschien
door 't licht beroerd. Scheen de zon en was de lucht
blauw....de wereld geleek somberder dan wanneer de de zware,
zwarte wolken boven de onbewegelijke vlakte dreven. Er
was smart in Wildervank's ziel, als hij geen wolken zag tot
aan de horizon. Hoe kon de hemel zóó stralend zijn boven
deze sombere aarde?
Geen weg, wegje, paadje slingerde door de vlakte,
een boom stond dichtbij of verre. Slechts één vogel, de
roerdomp, ziel der eenzaamheid, brak zijn doffe stem door
de vreeswekkende stilte, en zijn bruinheide-kleurige vleugels
scheerden wijd langs de zwarte plassen.
Men hoorde, welk werk de Wildervanks waren begonnen,
en volgens de gewoonte der menschen, die nooit willen
begrijpen, spotte men. Zou uit den vloek ooit een zegen
kunnen worden? Wat beteekenden de Wildervanks?
Men lachte luide in de koffiehuizen, als men het plan
besprak. Straatjongens riepen de wildervanks scheld-
woorden na, ja dikwijls werden ze met vuil gesmeten,
omdat zij de eersten waren in het land. Ze werden gehaat
om de voornaamheid hunner aard. Ze werden in hun een-
zaamheid teruggedrongen, en langzamerhand meenden ze,
dat zij alleen bij elkander vrij waren in stem en gebaar.
Zóó kwam de ouderdom voor hen, en elk hunner was
angstig, dat de ander sterven zou. Ze zaten tezaam, en
bespiedden elkaar. Wie zou de eerste wezen? De vrees
voor de stilte, de stilte, waarvan licht en geluid afvloeien,
zette zich om hun hart als een voelbaar ding, en dikwijls
legden ze er hun handen dichtbij, denkend, dat het niet
meer kloppen zou. Toch spraken zij nooit met elkaar over
den dood, den wreeden vernieler van jong en oud geluk.
Neen, ze deden, als ware de dood een woord.
Wildervank stierf, en zijn vrouwe boog zich over hem
heen. Ze trachtte hem nog met haar stem te wekken, ze
wilde niet gelooven, dat zijn ziel het leven verlaten had.
Nu werd het tikken der klok in huis een vijandig geluid.

Nu leek het, of ze eindeloos dwalen kon door gangen en
kamers, als in een vreemd land, waar geen herinnering
verscholen is. En deze stilte overal! Ze bleef soms op
den drempel staan, alleen om naar de meubelen te zien,
die vroeger dood waren en thans leefden. Met
groote-schrik-oogen keken ze haar aan, de koppen dreigend
vooruit, en de beenen stonden plomp op den naakten vloer.
"Moet ik hier blijven?' klaagde zij tot zichzelf.
Nadat Wildervank begraven was, durfde ze niet langer
in dit huis te zijn. Ze nam geen afscheid, ja, ze zag niet
eenmaal om. Toen bedacht ze, dat ze eens met haar man
land had ontgonnen, en ze gevoelde lust, daar te sterven.
Geen wegen leidden er nog heen, en ze werd angstiger
dan ooit om den spot der menschen, dien ze op haar rug
voelde kriebelen als een groote spin.
"De dood moet voor mij toch in deze stad komen, waar
hij ook gestorven is", dacht ze met vrees. "Als ik weer naar
't land ga, zal ik alle hoon niet meer kunnen verdragen!"
Ze zwierf in de straten, gelijk een bedelares, die om
brood vraagt, en toch smeekte ze nooit om erbarmen.
Ze verlangde misschien, dat iemand vanzelf haar troost
zou brengen: wie zóó doet, kan lang wachten. Nu de dood
geen woord meer voor haar was, werd de vriendschap
een woord. Toch vreesde ze de menschen nog zóó, dat
ze ook toen niet meer naar het onvruchtbare veld durfde
te gaan, om er het werk van haar leven voort te zetten.
Voor haar mede, als voor Eva, moest de slang komen,
om haar het noodlot te toonen.
Ze zat in een eenzaam optrekje, zonder dat een stem
in haar sprak. De dagen, witte juffers van onheil, gleden
dreigend langs haar heen: ze hoorde haar losse kleederen
ritselen. In de nachten waren vele uilen wakker, Ze krijschten
haar toe in haar droomloozen slaap.
Blanke wolken gelijk in een stralenden zomerdag waren
haar gedachten:
"Moet ik sterven?" En:
"Ik zal sterven."
Een dag overschreed ze den drempel van haar kamer,
anders van zin. Ze sloeg de handen aan haar voorhoofd,
haar geest zag, gelijk door helder water, door de diepte
van haar ziel, en van haar ziel naar haar geest kabbelde
een stem. Ze dacht niet meer aan den dood, en daarom
was ze angstig, om te sterven.
Ze trok de eenzaamheid uit, onmiddellijk naar het
volle leven. Ze ging de menschen voorbij, die haar niet meer
kenden. De straatjongens bekommerden zich niet om haar.
Wat hadden Wildervank en zij gevreesd?
Eindelijk kwam ze in 't land terug, dat ze vond, zooals
ze 't verlaten had. Er woonden nog maar weinig menschen,
die haar stug begroetten. wat zocht ze eigenlijk bij hen?
"Ik zal hier een kerk zetten en huizen bouwen", beloofde
ze. "Waarom moet deze streek arm blijven? Honderden
menschen kunnen hier wonen."
Toen lachte men weder genadeloos.
"Honderden menschen......honderden... menschen...
"Als 't geen duizenden zijn."
"Als 't geen duizenden zijn", spotte men.
"Geloofd gij me niet? Eens zal de naam Wildervank
een zegen wezen."
"Hahaha! de naam Wildervank."
"Waarom lacht ge?" vroeg ze droeve.
Niemand antwoordde, en toch was de spot in hun oogen.
Ze zag hen één voor één aan, en schudde 't hoofd. Hoe
kon men aan zulk een eenvoudige waarheid twijfelen?
"Zoowaar het dag is, zal het gebeuren."
Ze liet het zonnelicht over haar handen spelen, en ze
vergat haar leed. Ze was blijde, omdat de lucht blauw
was! Doch ook na den stralendste dag komt de avond.
De menschen waren lachende naar hun hutten weder-
gekeerd. In de hooge lucht begon de schemering te trillen,
bij den horizon zweefde een lichte nevel, waardoor lang-
zamerhand donkere strepen schoten. In de verte tjingelde
een klokje: een scheper met zijn kudde toog huiswaarts.
Vrouwe Wildervank zag de schapen, die dicht-aaneen
gingen, als één massa, en hun opspringende wol geleek
voor haar een geelachtige mist, welke boven de dieren
hing. Het heidekruid boog zich in de huivering van den
avondwind. Dit was de tijd van rust, na dezen dag.
Ze klopte aan de deuren. Men opende niet. Zeker stond
er een arme zwerveling.
Ze riep haar naam.
"Ga verder!" antwoordde men. Niemand had haar
geroepen. Ze kon verder gaan, als ze dit wilde. Ze kon
blijven, als ze dit wilde. ze kon leven of sterven.
"Is er dan niemand, die barmhartig is?'
Met smart bedacht ze, dat haar man deze huizen had
gebouwd, waar men haar voor één enkele nacht zelfs
onderdak weigerde. Ze klopte deur aan deur, en bij de
laatste woning vroeg ze:
"Waar moet ik overnachten? De lucht is koel; ik kan
niet ver gaan."
"Hier is geen plaats." Ze wilde nog eenmaal trachten,
of ze niemand kon vermurwen, en bij 't voorste huis begon
ze weder te kloppen.
"En is daar geen plaats voor mij, al legt ge mij op
den blooten vloer. Ik ben bang voor den nachthemel, die
buiten de sterren zoo donker is. Geef mij beschutting."
men antwoordde niet op deze klacht. Wat verlangde
zij, dwaze, van menschen?!

Radeloos besloot ze te dolen, tot ze andere woningen
zou vinden. Niet overal konden onbarmhartige lieden
wezen. Nog was het niet geheel nacht. Ze moest, tastend
in den grauwen schemer, haar weg zoeken. Doch er woonde
immers niemand, tot ver in den omtrek? Waarom dwaalde
ze? Ze stond midden-op de heide, en alle klanken van
menschen of dieren, waren vergaan. Wel vonkten de
schitterende punten der sterren, wel spreidde zich 't koele,
roerlooze licht der maan over aarde en hemel: zij echter
zag niet anders dan de duisternis, breeder dan alle glans
tezaam. Ze vouwde de handen.
"Waarom ben ik niet op mijn kamer gebleven? Wat
heb ik hier te zoeken? De menschen hebben gelijk, dat
ze me verstieten. Ik ben immers slechts een waanzinnige!"
Ze liep, tot ze geheel vreemd land bereikte. Ze wist,
dat, al ware het dag geweest, ze hier niets kende. Nooit
hadden er menschen gewoond. Ze huiverde.
"Een woestenij? Wildervank.....Wildervank....zoo
ik met u den dood had gevonden."
Ze werd moede, en zuchtende besloot ze op 't land te
overnachten. Ze legde zich terneder, doch ze sloot haar
oogen niet, neen, ze moest staren, tot de dag begon, naar
de duisteren hemel. Eerst in den vroegen morgen viel
ze in slaap.
Toen schoof een slang door 't heidekruid, zich in bochten
wringende, en ze naderde. Ze boog en kronkelde onder
den arm der vrouw, en ze sloot zich om 't menschenvleesch,
als een gladde spiraalring, waarboven de loensche kop
met de glazige oogen uit-stak. vrouwe Wildervank
sliep door.
De zon had den rooden gloed boven den horizon al
ontstegen, en ze wierp haar fel dag-licht reeds vooruit,
den hemel diep-blauw tintend. Waar tusschen de heide
een kale plek was, werd haar glans nog even gloed.
maar op de aarde zelf scheen alles levenloos, levenloos
vrouwe Wildervank, levenloos de slang om haar arm.
De morgen ging over in den middag, met verscherping
van de kleur der lucht tot diep, diep tintelend ultramarijn.
De hemel leefde van licht, doch de bodem daaronder
bleef dof en dood.
Toen ontwaakte vrouwe Wildervank. Ze stond haarstig
op, ziende, hoe hoog de zon was gerezen. Op hetzelfde
oogenblik bijna stond ze roerloos, en met afgrijzen
beschouwde ze het dier, dat koud om haar arm lag.
"Een slang", zeide ze tot zichzelf. "O, Wildervank!
ik heb niet genoeg om je geweend, dat ik nu al moet
sterven. Het ondier steekt den kop vooruit, het zal me
bijten, en hier op den verlaten grond zal mijn einde zijn.
Hoe kan ik ontkomen?"

Ze trachtte te loopen in de richting van het gehucht,
dat ze den vorigen avond had verlaten. Gisteren had men
geen medelijden met haar gekend — nu, terwijl de slang
met den dreigenden kop zich om haar vleesch slingerde,
zou men haar misschien vol erbarmen bevrijden. Hoe had
ze ooit den dood niet gevreesd? En haar levenstaak dan,
van haar en wildervank, om dit land te ontginnen?
Wildervank.....Wildervank.....moest men zich dezen
naam niet tot in verre geslachten herinneren?
De slang lag stil om haar arm. Het lichaam hing slap
terneder. Toen overwon de twijfel bij haar weder! Hoe
kon ooit dit land tot rijkdom komen? Of de zon scheen
— of de regen ruischte — het bleef met zichzelf gelijk! De
menschen, die met haar spotten, hadden geen onrecht.
Hoor! zij lachte om zichzelf, en 't klonk luid over het veld,
zonder echo.
"Hahahaha!"
Als boeien, die stijver om de armen van misdadigers
worden gelegd, drukten de kronkelingen der slang in haar
vleesch, en ze bemerkte tot haar ontzetting, dat de oogen
van het dier begeerig van gloed waren. De bek was reeds
vlak bij haar arm.
"Niet bijten", smeekte ze, "ik heb nog zooveel te doen,
arbeid sluit aan arbeid, gelijk schakels van een ketting
ineen. Wilt gij me dat verhinderen, dom beest?"
Ze bemerkte, dat hij den kop terug-trok, en ze was
blijde. Weder deed ze een paar schreden in de richting
der menschen, en het dier bewoog zich niet.
"Geen twijfel mogelijk meer", zong het in haar. "Grond, ge
zult gezegend zijn."
Op haar weg kwam ze aan een poel. Nergens op de
heide, hoe eenzaam ook in haar uitgestrektheid, kon het
verlatener zijn dan hier. Geen riet was er in den plas, die
donker geleek als onder de avondhemel. De voeten van
vrouwe Wildervank zonken weg in het losse, brokkelige
veen. Luide sprak ze:
'Op deze plek zal ik een kerk bouwen. daaromheen
zullen de huizen staan, tot in onafziende verte. Niet
alleen zal 't land zelf rijk wezen, het zal rijkdom geven
aan alle steden en dorpen, die er omheen liggen. De naam
der plaats zal luiden: Wildervank!"
Ze zag naar haar arm. De slang, o wonder, gleed van
haar af, nog even staarde ze naar de kronkelingen van
zijn lijf — toen roerde zich niets meer.
zij volbracht haar belofte, en ze liet werklieden komen,
die op de plaats bij den plas een kerk bouwden. Daarom-
heen vestigen zich menschen, en toen kon vrouwe Wil-
dervank sterven.

Iedere stad en ieder dorp heeft een wapen, doch dat
van Wildervank werd 't vreemdste van al: een vrouwen-
arm, waarom zich een slang heeft gebogen. Later hebben
de veendammers dit ontvreemd, en voor hun stad gekozen:
voor wildervank echter had de trotsche vrouw het ondier
medegedragen tot aan den poel in de donkerbruine heide.

Onderwerp

TM 2501 - Herkomst van het wapenschild (stadswapen, familiewapen etc.)    TM 2501 - Herkomst van het wapenschild (stadswapen, familiewapen etc.)   

Beschrijving

Een man en een vrouw, Wildervank geheten, leefden slechts voor één gedachte, om de woestenij rijk te maken voor het nageslacht. Ze werden bespot door de mensen, maar hielden zich vast aan hun streven. Op een dag overleed de man Wildervank. De vrouw bleef eenzaam achter en durft in haar eentje hun levenswerk niet voort te zetten. Ze ontvlucht haar huis en haar stad. De dagen gleden voorbij. Op een dag gaat ze terug naar haar oude woonplaats. Daar aangekomen beloofd ze de mensen dat ze een kerk en huizen zal bouwen. Eens zal de naam Wildervank een zegen zijn. Als ze 's avonds onderdak zoekt, wordt ze door niemand binnen gelaten. Uitgeput valt ze in slaap in een veld. Toen ze sliep naderde er een slang, die zich om haar arm kronkelde. Als de slang haar wil bijten, smeekt ze de slang haar niet te bijten omdat ze nog een aantal taken wil volbrengen. Als ze de woorden spreekt" Hier zal ik huizen en een kerk bouwen", glijdt de slang van haar arm en verdwijnt. Ze volbrengt haar belofte. Sindsdien staan op het stadswapen van Wildervank een vrouwenarm waarom zich een slang heeft gebogen. Later hebben de Veendammers dit wapen ontvreemd, en voor hun stad gekozen.

Bron

J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.315

Commentaar

1919
Herkomst van het wapenschild (stadswapen, familiewapen etc.)

Naam Overig in Tekst

Eva    Eva   

Veendammers    Veendammers   

Naam Locatie in Tekst

Wildervank    Wildervank   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20