Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

RKOMA124 - De moord op bisschop Coenraad

Een sage (internet), (foutieve datum)

legende.htm_txt_005_Moord-op-Coenraad_g.gif

Hoofdtekst

DE MOORD OP BISSCHOP COENRAAD

Aan het eind van de elfde eeuw was Coenraad van Zwaben bisschop van Utrecht. Met keizer Hendrik IV ging hij een kijkje nemen bij de gevechten in Italië.

Troepen van de keizer veroverden Milaan. Ze plunderden de stad. Dat was tot daar aan toe, maar ze vernielden ook de prachtige witmarmeren Mariakerk

'Kijk nou toch es Hendrik, sprak Coenraad, "da's toch zonde." "Tja", zei Hendrik "ik kan ze nu niet meer tegenhouden. Het zijn net een stel jonge honden, die soldaten van mij." "Dit is heiligschennis Hendrik. God zal ons straffen". Hendrik was het met de bisschop eens, maar wat kon hij er aan doen? Coenraad hoefde hier niet lang over te denken.. Hij wilde graag beroemd worden. Niet alleen tijdens zijn leven, nee, voor eeuwig wilde hij voortleven in de gedachten van de mensen. Het leven was immers maar zo kort. Wat zou het prachtig zijn als hij zo'n mooie kerk bij hem in Utrecht... "Weet je wat we moeten doen, brave moeten ergens anders net zo'n mooie kerk bouwen."

"Goed idee" sprak de keizer. ‘Zeg maar waar.’

'Mja, laat me 'ns denken... Utrecht lijkt me een geschikte plaats. Dat is een rustig stadje en ik ben er toevallig bisschop, dus kan ik er een oogje op houden." De keizer vond het prima en samen legden ze de gelofte af om in Utrecht een nieuwe Mariakerk te bouwen. Coenraad was blij. Wat zou hem een eer toekomen als hij de pracht en praal van de Milanese kerk kon evenaren, ja misschien zelfs evenaren, ja misschien zlefs overtreffen. Aangezien hij de kerk, gelijk liet origineel, in wit marmer laten wilde uitvoeren, moest hij wel enige budgettaire maatregelen treffen. Van Hendrik had hij wel een flinke bom duiten gekregen, maar het zou toch leuk zijn als hij daar nog wat van overhield. Hij liet zijn oog vallen op een stuk goedkope grond in het westen van de stad. De mensen probeerden Coenraad op andere gedachten te brengen: de grond die hij begeerde was toch veel te drassig om op te bouwen. Maar Coenraad was behalve gierig ook zeer koppig en hield voet bij stuk: "Dit is de mooiste plek in Utrecht. Daar zal mijn kerk komen."

Tijdens het overleg met de bouwmeesters werd hij luidkeels uitgelachen: "Haha, uw kerk zal binnen enkele maanden scheef trekken en tenslotte in de slappe grond zakken. Bouwen op een wel is immers onmogelijk! Houdt u zich nu maar bij het opdienen van missen, van fundamenten heeft u geen verstand." En grinnikend liepen ze weg. Op één na. Pleberus, de Friese bouwmeester. Hij was achtergebleven en zat peinzend met zijn hoofd in zijn handen.

"Moet jij niet achter je vrienden aan?" vroeg Coenraad nors.

Pleberus keek op: "Heer bisschop, mag ik nog eens nadenken over uw plannen?" Coenraad keek hem verbaasd aan. "Natuurlijk. Natuurlijk beste kerel. Als het jou lukt om het probleem van de fundamenten op te lossen, zal ik je rijkelijk belonen."

Dat trok Pleberus wel aan. Hij had een vrouw met tien kinderen en ook nog een oude schoonmoeder in huis. Al die monden moesten gevoed worden. Zijn oudste zoon wilde niet deugen. Die jongen bracht geen geld in, alleen maar ellende. Verder had hij slechts dochters die nog lang niet de huwbare leeftijd bereikt hadden. Bovendien stond hij flink in het krijt bij de taveerne en de waard had al gedreigd hem niet meer binnen te laten.

De volgende dag reeds zocht Pleberus Coenraad op. "Eerwaarde heer bisschop", sprak hij, 1aat mij uw kerk bouwen. Ik kan de fundamenten leggen en de zuilen plaatsen zonder dat zij door drassigheid zullen verzakken."

"En hoe wil jij dat voor elkaar krijgen?", vroeg Coenraad achterdochtig."Dat zeg ik niet, heer, dat is mijn geheim." Trots keek Pleberus in de ogen van Coenraad."Maar ik wil zelf mijn loon bepalen, want het zal een moeilijk karwei zijn."

"Okee, bepaal maar", zei Coenraad luchtig.

"Tja, het zijn dure tijden heer bisschop. Ik ben met mijn gezin helemaal uit Friesland hierheen gekomen. Ik heb een huis moeten bouwen. Mijn schoonmoeder heeft vraatzucht, mijn zoon wil niet deugen, mijn dochters..."

"Ja, 't is goed. Noem je prijs, man", onderbrak Coenraad ongeduldig. Pleberus noemde zo'n hoog bedrag dat Coenraad even naar adem moest happen. Doch de zuinige bisschop liet niets merken. Hij zond de Friese metselaar heen met de opmerking dat hij er een nachtje over zou slapen. Het zinde hem in het geheel niet zoveel geld te besteden aan het geheim van Pleberus. Er moest een andere, goedkopere manier zijn.

Na twee nachten woeien in zijn bisschoppelijke sponde had Coenraad een snood plan bedacht. Op een avond pakte hij een paar zilveren kerkbekers en wat penningen in een doek, sloeg een oude lap om en begaf zich op weg naar de Vuilsteeg, waar hij de zoon van Pleberus wist. Gewoon volk kwam nooit in die steeg, omdat het er stonk als de hel. Overdag kookten vrouwen daar het afval van de geslachte beesten uit het vleeshuis. Daar placht de jongen met zijn kameraden rond te hangen en alle dagen in ledigheid door te brengen. 'Wie van jullie is de zoon van bouwmeester Pleberus?", vroeg hij met krachtige stem. "Wat mot je, ouwe? Weet je niet dat het gevaarlijk is om hier in je eentje te [konienT](?)'

Eén jongen maakte zich los uit het smoezelige groepje. "Ik ben Pleberus' zoon." "Als je geld wil verdienen", sprak Coenraad beslist, "kom dan met mij mee." Hierop draaide Coenraad zich om en verdween om de hoek. Jessis, wat een stank! Even later hoorde bij vlugge passen achter zich. "Kom mee." Hij trok de jongen naar een donkere hoek. In het schaarse licht rolde Coenraad de doek open. Begerig keek de knaap naar de schitterende kostbaarheden.

"Afblijven!" Hierbij sloeg hij de jongen knallend op de vingers. Toen rolde Coenraad de doek weer dicht en keek de jongen strak aan: "Dit alles is voor jou, als je mij vertelt hoe jouw vader het fundament wil leggen voor de Mariakerk."

"0 jee, maar dat kan ik niet doen. Mijn vader zal me de nek breken." "Niemand hoeft het te weten", trachtte Coenraad hem te overreden. "Ik denk toch niet aarzelde de jongen.

"Dan doe ik mijn halsketting er bij." Coenraad haakte zijn ketting reeds los. "Tja ... ik weet het niet. U kent mijn vader niet, ziet u. 't Is een Fries."

"En mijn zegelring! " Coenraad trok de ring van zijn vinger en reikte hem de jongen aan, tezamen met de ketting en het zilver in de doek. Nu kon de jongen geen weerstand meer bieden. Zoveel moois had hij nog nooit gezien. Wat kon je daar niet allemaal mee doen? "Goed", zei hij. "Ik ken het geheim van mijn vader."

"Hoe weet ik dat je de waarheid spreekt?", vroeg Coenraad met een half dichtgeknepen oog.

"Hij heeft in Friesland een toren gebouwd op sappige grond en dat ding staat nog steeds recht als een kaars."

"Zeg hé, siste Coenraad.

"Mijn vader wil de drassige grond bekleden met ossenhuiden, zodat het vocht niet in de fundamenten door kan dringen." Hij griste de beloning uit de handen van Coenraad en rende er vandoor.

Ossenhuiden. Halleluja. Tevreden ging Coenraad naar huis. Daar nam hij de oude lap van zich en strekte zich behaaglijk uit op zijn bisschoppelijke zetel. De volgende dag liet hij de goedkoopste bouwmeester bij zich komen en droeg hem op de ondergrond voor de Mariakerk te bekleden met ossenhuiden.

Als een lopend vuurtje ging het door de stad. "Coenraad gaat zijn kerk bouwen op ossenhuiden!" Weldra kwam dit ook Pleberus ter ore. Hij ontstak in grote woede. Hier was verraad in het spel. Hoe was Coenraad achter zijn geheim gekomen? Hij ondervroeg zijn vrouw en kinderen. Zij waren de enigen die zijn plan kenden. Achterin de tuin van hun huis in Friesland had hij de plannen ontwikkeld en uitgeprobeerd. Hij had ze op het hart gedrukt nooit met iemand over de ossenhuiden te spreken. Huilend ontkenden zijn vrouw en dochters. "Waar is die stinkende zoon van mij?", brieste hij, met zijn zweep klakkend. Daar kwam ie nonchalant fluitend met zijn handen in zijn zakken aanlopen. "Hoi pa."

Hoe Pleberus zijn zoon liet bekennen zullen wij hier niet vertellen, want het was verschrikkelijk. Half bewusteloos bekende de jongen tenslotte dat hij aan een oude man in lompen gehuld, het geheim van de ossenhuiden verteld had en er rijkelijk voor beloond was.

Na nog een paar rake klappen beval Pleberus zijn zoon de kostbaarheden bij hem te brengen. Met zijn laatste krachten haalde de jongen de doek met zilver en goud uit de holle boom achter hun huis en strompelde ennee naar binnen. Zijn moeder, 't goeie mens, had intussen wat rechte takken uit het haardvuurhout gezocht en begon direct de armen en benen van haar zoon te spalken. Toen Pleberus de zegelring van de bisschop zag, begreep hij de juiste toedracht. Er ontvlamde een ontembare woede in hem.

Coenraad zag zijn kerk in volle glorie groeien. De pilaren stonden recht en bleven recht. Hendrik zorgde voor wit marrner en andere uitheemse bouwmaterialen. Kunstenaars leefden zich uit op het interieur. In heel het Sticht, wat? nergens in de lage landen bezat een kerk zo'n fraai koor als zijn Mariakerk. Hij bad, dankte en loofde de Heer alle dagen. Ja, Coenraad mocht trots zijn op z'n kerk. "Alle eeuwen zullen de mensen spreken over mij en mijn prachtige Mariakerk'

Intussen leefde Pleberus voort in wrok. Zijn dochters waren [net in het klooster] gegaan. Zijn vrouw was gestorven van verdriet, omdat in de kop van de stugge Fries alleen maar wraak zat. 't Arme mens kreeg nooit meer een aardig woord. Nu woonde Pleberus alleen met zijn invalide zoon. Elke avond staarde hij naar de ring, tot het donker werd. Dan priemde hij met kracht zijn dolk in de tafel en gooide zich op zijn stinkende stromatras. Deze avond trilde zijn dolk voor het laatst in het uitgeputte tafelblad terwijl de volgende woorden aan zijn brokkelige tanden ontsnapten: "Morgen Coenraad - morgen, klokke drie".

De volgende dag, een mooie zomermiddag in het jaar 1099, ging hij op pad. Z'n norse kop wees enkel in de richting van de Onze Lieve Vrouwe-kerk. Onder zijn overkleed prikte de punt van de vlijmscherpe dolk in zijn dijbeen. Hij voelde het niet. Klokke drie. Hij had alles goed voorbereid. Ongezien wist hij de binnenplaats op te sluipen. Pleberus wist dat Coenraad daar altijd placht te bidden na de mis. Schijnheilige gewoonte vond hij dat. Vanuit zijn schuilplaats zag hij hoe Coenraad devoot het hoofd boog. Hij had zijn bisschoppelijk gewaad tijdelijk verwisseld voor een ruig kleed, dat monniken plachten te dragen. Hij hield er niet van om buiten de kerk lastig gevallen te worden door armoedzaaiers en bedelaars. Maar Pleberus liet zich niet misleiden door een stuk stof, dit was Coenraad, onmiskenbaar. De bisschop knielde. Pleberus wachtte een paar seconden. Ze waren alleen.

Toen haalde hij de dolk tevoorschijn en naderde Coenraad met zachte tred. Hoe weerloos zat daar die machtige bisschop van Utrecht. Pleberus snoof minachtend en stak met kracht de dolk in Coenraads rug. Nog voordat het bisschopsbloed de grond kleurde, was Pleberus verdwenen.

Spoedig werd hij echter opgepakt, want men kende zijn wrok tegen de bisschop. Ontkennen was zinloos. Zijn levensdoel was bereikt en hij had geen zin in een pijnbankbehandeling. Keizer Hendrik liet hem terechtstellen en Pleberus eindigde zijn armzalig leven bungelend aan het hennepen venster.

Zo had Coenraad dan toch zijn eeuwige roem, al waren de zaken anders gelopen dan hij zich had voorgesteld. Want bijna duizend jaar later verbindt men nog altijd zijn naam aan de allang verdwenen Mariakerk - gebouwd op ossenhuiden.

Onderwerp

SINSAG 0984 - Das Gebäude ruht auf Ochsenhäuten.    SINSAG 0984 - Das Gebäude ruht auf Ochsenhäuten.   

Beschrijving

Aan het eind van de elfde eeuw was Coenraad van Zwaben bisschop van Utrecht. Tijdens gevechten in Italië werd de Mariakerk in Milaan vernietigd. Coenraad krijgt daarop van Hendrik IV toestemming een Mariakerk in Utrecht te bouwen. De Friese bouwmeester Pleberus weet de geheimzinnige fundamenten van de kerk te leggen, maar vraagt een hoge prijs. Daarop besluit de bisschop het geheim van de bouw te ontfutselen bij de zoon van de bouwmeester. Pleberus komt achter het verraad, dood de bisschop en wordt daarop opgehangen. De Mariakerk wordt voltooid...gebouwd op ossenhuiden.

Commentaar

Zie onder 'Beeld' voor een afbeelding van de moord op bisschop Coenraad door Pleberus.
Das Gebäude ruht auf Ochsenhäuten.

Naam Overig in Tekst

Zwaben    Zwaben   

Van Zwaben    Van Zwaben   

Coenraad    Coenraad   

Koenraad    Koenraad   

Maria    Maria   

Hendrik IV    Hendrik IV   

Pleberus    Pleberus   

Plebeo    Plebeo   

Naam Locatie in Tekst

Schwaben    Schwaben   

Utrecht    Utrecht   

Italië    Italië   

Milaan    Milaan   

Friesland    Friesland   

Mariakerk    Mariakerk   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21