Hoofdtekst
EEN POT VOL GELD.
Het moet te Maastricht in de omgeving van de Minckeleerstraat zijn gebeurd. Daar woonde een schrijnwerker, die zijn werkplaats op zolder had.
Op zekeren keer kreeg hij een werkje, dat in zoo kort mogelijken tijd klaar moest. Hij had wel een leerjongen, maar deze was uit het weeshuis en moest 's avonds altijd om zeven uur binnen zijn. Zoo besloot hij dan inaar desnoods alleen den heelen nacht door te werken.
Terwijl hij druk bezig was -het sloeg juist twaalf uur op de Onze-Lieve-Vrouwekerk- zag hij, dat er aan den anderen kant van zijn schaafbank nog een persoon stond, iemand, die hij nog nooit gezien had. Verschrokken legde hij zijn schaaf neer, verliet den zolder, ging naar beneden en kroop in bed. Hij vertelde het zijn vrouw, maar deze meende, dat hij slaapdronken was. Den volgenden dag verzocht hij zijn leerjongen, een flinken jongen kerel, hem den volgenden nacht te helpen; hij had een werk, dat absoluut af moest. De weesjongen zeide, dat hij daartoe geen verlof kon krijgen, maar toen hij hoorde, waar het om ging, verklaarde hij zich dadelijk bereid. En daar zijn meester een solide persoon was, kreeg hij het gevraagde verlof. De avond kwam en de jongen bleef over bij zijn baas. Het werd al laat, de jongen kreeg slaap. Hij weerde zich wel, maar tegen elf uur kon hij bet niet meer uithouden. Zijn meester raadde hem aan, een klein uurtje in de krullen te gaan liggen; tegen twaalf uur zou hij hem wel wekken. Toen het ongeveer tijd was, wekte hij den jongen, want hij werd toch wel wat bang. Nauwelijks had de klok van Onze-Lieve-Vrouwekerk weer twaalf uur geslagen, of daar stond die vreemde persoon al tegenover hen aan de schaafbank. Zij hadden hem niet zien komen. De jongen viel van schrik flauw en verloor zoodanig de macht over sommige organen, dat zich een afschuwelijke stank over den zolder verspreidde.
Daar stond de meester toch nog alleen. Hij herinnerde zich echter, dat men het beste doet, wanneer men tegenover spoken brutaal optreedt. Ouderen van dagen hadden hem altijd aangeraden, nooit aan het verlangen van een spook te voldoen. Hij vermande zich dus en vroeg het spook op barschen toon: ,,Wat kom jij hier doen? Je hebt hier niets te maken! Ik zou je aanraden te zorgen, dat je hier vandaan komt!" Het spook echter wenkte hem te volgen en bracht hem bij een deur in den muur, dien hij nog nooit gezien had. "Doe nu die deur open!" verzocht het.
"Neen", antwoordde de schrijnwerker op ,,wreigelenden" toon, "Dat kan ik niet, daar ben ik niet sterk genoeg voor! Toen deed het spook de deur zeif open en werd er een trap zichtbaar, die diep naar beneden leidde. Het spook verzocht hem voor te gaan. ,,Neen", gromde de baas. ,,Ik heb met die trap niets te maken, dat zijn mijn zaken niet. Wil jij voorgaan, dan kom ik wel achterna!" Het spook ging nu voor en de meester volgde met de lamp. Zoo kwamen zij op een plaats, die de schrijnwerker nog nooit had gezien. Midden op die plaats lag een zware steen met een ijzeren ring er aan, ,Til mij dien steen op!" gebood het spook. "Doe het zelf, jij bent grooter en sterker dan ik!" Het spook tilde den steen op, waaronder een groote pot met geld zichtbaar werd. Dan zeide het spook: ,Bij dat geld liggen de aanwijzingen, waar en hoeveel je er van moet bezorgen. "Wat over is, is voor jou!" Daarop verdween het, De schrijnwerker tilde den pot met geld op, die erg zwaar was. Het zweet gudste hem langs gelaat en rug, toen hij weer langs de trap naar boven klom.
Boven gekomen, bracht hij den jongen weer bij en gebood hem naar beneden te gaan, zich zoo spoedig mogelijk te verschoonen en wat te slapen.Toen de jongen 's morgens zijn meester wilde wekken, kwam diens vrouw hem al tegemoet en vroeg bezorgd: ,,Wat is er toch met den meester gebeurd vannacht? Zijn haren zijn sneeuwwit geworden!" De jongen beweerde niets te weten. Dat had de meester hem al op het hart gedrukt. Hij kreeg nog een flinken fooi voor den angst, dien hij had uitgestaan, terwijl de meester kort daarna "op zijn renten" ging leven.
Het moet te Maastricht in de omgeving van de Minckeleerstraat zijn gebeurd. Daar woonde een schrijnwerker, die zijn werkplaats op zolder had.
Op zekeren keer kreeg hij een werkje, dat in zoo kort mogelijken tijd klaar moest. Hij had wel een leerjongen, maar deze was uit het weeshuis en moest 's avonds altijd om zeven uur binnen zijn. Zoo besloot hij dan inaar desnoods alleen den heelen nacht door te werken.
Terwijl hij druk bezig was -het sloeg juist twaalf uur op de Onze-Lieve-Vrouwekerk- zag hij, dat er aan den anderen kant van zijn schaafbank nog een persoon stond, iemand, die hij nog nooit gezien had. Verschrokken legde hij zijn schaaf neer, verliet den zolder, ging naar beneden en kroop in bed. Hij vertelde het zijn vrouw, maar deze meende, dat hij slaapdronken was. Den volgenden dag verzocht hij zijn leerjongen, een flinken jongen kerel, hem den volgenden nacht te helpen; hij had een werk, dat absoluut af moest. De weesjongen zeide, dat hij daartoe geen verlof kon krijgen, maar toen hij hoorde, waar het om ging, verklaarde hij zich dadelijk bereid. En daar zijn meester een solide persoon was, kreeg hij het gevraagde verlof. De avond kwam en de jongen bleef over bij zijn baas. Het werd al laat, de jongen kreeg slaap. Hij weerde zich wel, maar tegen elf uur kon hij bet niet meer uithouden. Zijn meester raadde hem aan, een klein uurtje in de krullen te gaan liggen; tegen twaalf uur zou hij hem wel wekken. Toen het ongeveer tijd was, wekte hij den jongen, want hij werd toch wel wat bang. Nauwelijks had de klok van Onze-Lieve-Vrouwekerk weer twaalf uur geslagen, of daar stond die vreemde persoon al tegenover hen aan de schaafbank. Zij hadden hem niet zien komen. De jongen viel van schrik flauw en verloor zoodanig de macht over sommige organen, dat zich een afschuwelijke stank over den zolder verspreidde.
Daar stond de meester toch nog alleen. Hij herinnerde zich echter, dat men het beste doet, wanneer men tegenover spoken brutaal optreedt. Ouderen van dagen hadden hem altijd aangeraden, nooit aan het verlangen van een spook te voldoen. Hij vermande zich dus en vroeg het spook op barschen toon: ,,Wat kom jij hier doen? Je hebt hier niets te maken! Ik zou je aanraden te zorgen, dat je hier vandaan komt!" Het spook echter wenkte hem te volgen en bracht hem bij een deur in den muur, dien hij nog nooit gezien had. "Doe nu die deur open!" verzocht het.
"Neen", antwoordde de schrijnwerker op ,,wreigelenden" toon, "Dat kan ik niet, daar ben ik niet sterk genoeg voor! Toen deed het spook de deur zeif open en werd er een trap zichtbaar, die diep naar beneden leidde. Het spook verzocht hem voor te gaan. ,,Neen", gromde de baas. ,,Ik heb met die trap niets te maken, dat zijn mijn zaken niet. Wil jij voorgaan, dan kom ik wel achterna!" Het spook ging nu voor en de meester volgde met de lamp. Zoo kwamen zij op een plaats, die de schrijnwerker nog nooit had gezien. Midden op die plaats lag een zware steen met een ijzeren ring er aan, ,Til mij dien steen op!" gebood het spook. "Doe het zelf, jij bent grooter en sterker dan ik!" Het spook tilde den steen op, waaronder een groote pot met geld zichtbaar werd. Dan zeide het spook: ,Bij dat geld liggen de aanwijzingen, waar en hoeveel je er van moet bezorgen. "Wat over is, is voor jou!" Daarop verdween het, De schrijnwerker tilde den pot met geld op, die erg zwaar was. Het zweet gudste hem langs gelaat en rug, toen hij weer langs de trap naar boven klom.
Boven gekomen, bracht hij den jongen weer bij en gebood hem naar beneden te gaan, zich zoo spoedig mogelijk te verschoonen en wat te slapen.Toen de jongen 's morgens zijn meester wilde wekken, kwam diens vrouw hem al tegemoet en vroeg bezorgd: ,,Wat is er toch met den meester gebeurd vannacht? Zijn haren zijn sneeuwwit geworden!" De jongen beweerde niets te weten. Dat had de meester hem al op het hart gedrukt. Hij kreeg nog een flinken fooi voor den angst, dien hij had uitgestaan, terwijl de meester kort daarna "op zijn renten" ging leven.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Een schrijnwerker en zijn leerjongen werken 's nachts aan een opdracht die snel af moet. Om twaalf uur zien ze een verschijning. De jongen valt flauw. De meester moet stand houden. Gelukkig weet hij dat je tegen spoken brutaal moet optreden en nooit hun zin geven. Hij volgt het spook, maar weigert de opdrachten te vervullen die het spook hem opdraagt. De volgende dag heeft de ambachtsman grijze haren, maar hij is wel in het bezit van een schat. Vanaf nu kan hij van zijn rijkdom leven.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Commentaar
1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van schatten'.
Der verborgene Schatz
Naam Locatie in Tekst
Maastricht   
Minckeleerstraat   
Onze-Lieve-Vrouwekerk   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
