Hoofdtekst
Hand aon hand, poet aon poet, mörgen is d'n duvel doet
In de tijd dat er binnen de stad nog boerderijen lagen, ging een boerenzoon te Maastricht, die gewoon was zich 's zaterdagsavonds te laten scheren en dan wat laat uit te blijven, op zekere zaterdagnacht tegen twaalf uur naar huis. Hij moest daarbij de Markt passeren en zag daar een grote menigte katten, staande op de achterpoten en de voorpoten als gearmd, rondom een tafel dansen en hoorde hij ze zingen:
.Hand aon hand, poet aon poet, Mörgen is d'n duvel doet!'
Hij schrok, bleef staan en durfde van angst geen voet meer verzetten. Zodra hij over zijn eerste schrik wat heen was en wat beter toekeek, zag hij op de tafel een beker staan, waaruit de katten om beurten dronken; daarna begonnen ze weer te dansen en hetzelfde deuntje te zingen.
Eindelijk schenen ze hem toch te hebben bemerkt. In een oogwenk was hij door de katten omringd en bood een van de dieren hem de beker aan, naar het scheen gevuld met wijn. Zij verzocht hem die op haar gezondheid te ledigen.
Hij riskeerde het niet te weigeren, nam de beker aan maar durfde niet ervan te drinken en wist niet meer wat te beginnen. Hij zag wel in dat hij er zo niet langs kwam en reeds had hij bijna de beker aan de lippen gebracht, toen hij moest niezen, waarbij hij tot zichzelf zei: 'God zegene je!' Nauwelijks had hij dit gezegd, of alle katten vlogen van de Markt op, weg over zijn hoofd en nog lang daarna hoorde hij uit de verte haar geblaas en miauwen door de lucht snijden. Toen hij wat van de schrik bekomen was, voelde hij dat hij de beker nog altijd in de hand hield: de inhoud had hij door zijn niezen en de schrik gestort.
Hij maakte nu dat hij thuiskwam. Daar vond hij zijn moeder wachten op hem en haar eerste vraag was, wat hij daar in de hand hield.
'Och, dat is de beker waar de katten mu uit wilden doen drinken,' antwoordde de jonkman.
'Wel, wel, hoe heb ik het nu met je? Is dat een beker? Kijk dan maar eens goed!'
De jongen deed dat en nu zag hij dat hij een vieze paardepoot in de hand hield. 'Gooi hem maar gauw op de mesthoop,' gebood de moeder, 'en blijf in het vervolg niet meer zo laat uit. Dan kom je niet meer in gezelschappen, waar ze je zulke bekers voorzetten. Het is je nu nog goed gegaan, maar wacht je voor een tweede keer!'
In de tijd dat er binnen de stad nog boerderijen lagen, ging een boerenzoon te Maastricht, die gewoon was zich 's zaterdagsavonds te laten scheren en dan wat laat uit te blijven, op zekere zaterdagnacht tegen twaalf uur naar huis. Hij moest daarbij de Markt passeren en zag daar een grote menigte katten, staande op de achterpoten en de voorpoten als gearmd, rondom een tafel dansen en hoorde hij ze zingen:
.Hand aon hand, poet aon poet, Mörgen is d'n duvel doet!'
Hij schrok, bleef staan en durfde van angst geen voet meer verzetten. Zodra hij over zijn eerste schrik wat heen was en wat beter toekeek, zag hij op de tafel een beker staan, waaruit de katten om beurten dronken; daarna begonnen ze weer te dansen en hetzelfde deuntje te zingen.
Eindelijk schenen ze hem toch te hebben bemerkt. In een oogwenk was hij door de katten omringd en bood een van de dieren hem de beker aan, naar het scheen gevuld met wijn. Zij verzocht hem die op haar gezondheid te ledigen.
Hij riskeerde het niet te weigeren, nam de beker aan maar durfde niet ervan te drinken en wist niet meer wat te beginnen. Hij zag wel in dat hij er zo niet langs kwam en reeds had hij bijna de beker aan de lippen gebracht, toen hij moest niezen, waarbij hij tot zichzelf zei: 'God zegene je!' Nauwelijks had hij dit gezegd, of alle katten vlogen van de Markt op, weg over zijn hoofd en nog lang daarna hoorde hij uit de verte haar geblaas en miauwen door de lucht snijden. Toen hij wat van de schrik bekomen was, voelde hij dat hij de beker nog altijd in de hand hield: de inhoud had hij door zijn niezen en de schrik gestort.
Hij maakte nu dat hij thuiskwam. Daar vond hij zijn moeder wachten op hem en haar eerste vraag was, wat hij daar in de hand hield.
'Och, dat is de beker waar de katten mu uit wilden doen drinken,' antwoordde de jonkman.
'Wel, wel, hoe heb ik het nu met je? Is dat een beker? Kijk dan maar eens goed!'
De jongen deed dat en nu zag hij dat hij een vieze paardepoot in de hand hield. 'Gooi hem maar gauw op de mesthoop,' gebood de moeder, 'en blijf in het vervolg niet meer zo laat uit. Dan kom je niet meer in gezelschappen, waar ze je zulke bekers voorzetten. Het is je nu nog goed gegaan, maar wacht je voor een tweede keer!'
Onderwerp
SINSAG 0501 - Der Katzentanz   
Beschrijving
Een jongeman die op zaterdagavond vaak lang wegblijft, ontmoet een groep dansende katten die hem uit een beker willen laten drinken. Ze zingen: 'Hand aon hand, poet aon poet, mörgen is d'n duvel doet'. De jongen moet echter niezen en als hij 'God zegen je' zegt, zijn de katten verdwenen. Thuisgekomen blijkt de beker een vieze paardenpoot te zijn. Zijn moeder zegt dat hij 's avonds niet meer zo lang weg moet blijven, dan komt hij niet meer in dit soort gezelschappen terecht.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk: 'Van heksen en maren'.
Der Katzentanz
Naam Locatie in Tekst
Maastricht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
