Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

RKOMA221 - De dood der graven van Aremberg en Adolf van Nassau

Een sage (mondeling), oktober 1907

Hoofdtekst

In October hield de Heer Jhr. Mr. J.A. Feith eene voordracht: ‘De dood der graven van Aremberg en Adolf van Nassau.’ Na eene korte inleiding waarin Spr. deed uitkomen dat kronieken, gedenkschriften en brieven, kortom alles wat in verhalenden trant is geschreven, altijd een meer of minder subjectief karakter draagt en het verschil in voorstelling van een historisch feit bovenal uitkomt in de beschrijving der onderdeelen, noemde hij als voorbeeld daarvan den slag bij Heiligerlee. Over den slag zelf is bij ooggetuigen en beschrijvers van vroeger en later tijd vrij groote overeenstemming. Omtrent den dood van beide bevelhebbers en hunne laatste rustplaatsen zijn de berichten van tijdgenooten echter zoo uiteenloopend en ten deele zoo phantastisch, dat Spr. het noodig oordeelde in deze de waarheid eens van hare hinderlijke omhulsels te ontdoen. Reeds veel vroeger heeft Spr.'s grootvader, die in 1849 is overleden, dit beproefd, doch sedert zijn vooral van Spaansche zijde vele andere getuigenissen bekend geworden. Naaste aanleiding tot het opnieuw ter hand nemen van dit onderwerp is echter de eenige jaren geleden ontdekte brief zes dagen na den slag door zekeren L.F. (Liborius Forster) aan zijn heer Johan van Ewsum gericht, die bijna drie eeuwen lang in een kist is opgesloten geweest en in het familiearchief van Van Ewsum is bewaard.

Spr. vergeleek het verhaal omtrent het sneuvelen en ter aarde bestellen der beide graven in dezen brief met de vele andere berichten daarover.

Reeds weinige jaren na den slag schijnt het verhaal in omloop te zijn geweest dat de graven door elkanders zwaard zouden zijn gevallen. Het romantische trok ook latere schrijvers aan, vooral die van minderen rang.

Eindelijk in 1807 ontstak de bekende lands-archivaris Van Wijn echter het gewenschte licht in deze duistere zaak. Onder den titel ‘Egt bericht van het omkomen des Graven van Aremberg’ maakte hij eene gerechtelijke bekentenis openbaar van Zybrandt Sickesz., den man die zelf verklaarde Aremberg te hebben gedood, zoodat dan ook bij latere geschiedschrijvers de legende van den kampstrijd der twee graven op leven en dood niet meer voorkomt. Wel is in onzen tijd o.a. bij Motley, Van Lummel en anderen de voorstelling gebleven dat Aremberg Adolf zou hebben gedood.

Na eene uitvoerige uiteenzetting kwam Spr. tot de slotsom dat graaf Adolf zeer waarschijnlijk op een vurig paard gezeten in het midden der vijanden is geraakt en door vijandelijke ruiters omsingeld, moedig strijdende is gevallen, vóór de zijnen hem konden ontzetten.

Als vaststaande kan worden aangenomen dat graaf van Aremberg, nadat zijn paard onder hem was doodgeschoten, gewond en uitgeput en van zijne vluchtende troepen afgeraakt, meer vermoord is door soldaten van
het minste allooi, dan gesneuveld in een gevecht met een ‘ebenbürtigen’ tegenstander.

Nog meer onzeker zijn de verhalen over de plaatsen waar hunne lijken zijn ter aarde besteld. Voor graaf Adolf worden niet minder dan vier verschillende plaatsen aangegeven; de berichten betreffende het graf van graaf van Aremberg zijn wel eenparig, maar zijn, zooals Spr. uit een uitvoerig onderzoek gebleken is, desniettemin onjuist.

Terwijl eenige schrijvers mededeelen dat beide graven in de Kloosterkerk zijn ter aarde besteld, berichten de meeste en vooral de latere schrijvers, dat de graaf van Aremberg te Heiligerlee is begraven en het lijk van Adolf van Nassau te Wedde, o.a. volgens Le Petit ‘en la Chapelle du Chasteau’ zou zijn bijgezet.

Toch heeft een onderzoek vooral uit brieven en berichten van tijdgenooten Spr. geleerd, dat beide berichten onjuist zijn. Zooals hij uit tal van gegevens aantoonde blijft het raadsel, waar het stoffelijk overschot rust van den eersten graaf van Nassau, die zijn leven liet in den strijd voor de vrijheid der Nederlanden, voorshands onopgelost. Met zekerheid kan alleen worden aangenomen, dat het naar eene plaats in Duitschland vervoerd werd.

Wat Aremberg betreft: graaf Lodewijk heeft aan het stoffelijk overschot van zijn tegenstander de noodige eer bewezen. Het werd door de monniken van het klooster ter aarde besteld in de kloosterkerk te Heiligerlee, ‘alwaar hij met zeven houten beeldekens is begraven, maar naamaals elders vervoert’, zooals Gabbema weet te vertellen. De weduwe van Aremberg, vrouwe Margaretha, had echter geen vrede met het rusten van het lijk van haren beminden gemaal in het verre Noorden. In de maand Augustus 1568 deed zij pogingen om het lijk naar de zuidelijke

Nederlanden overgebracht te krijgen. Dat is toen niet gelukt, maar stellig is dat later wel geschied en is het lijk overgebracht in den hertogelijken familiekelder te Edingen of Enghien in Henegouwen. Op welk tijdstip dit is geschied is tot dusverre nog niet bekend geworden.

Beschrijving

Volgens de verhalen hebben de graven van Aremberg en de graaf van Nassau elkaar gedood. Als de begraafplaats van graaf Adolf worden vier verschillende plekken genoemd.

Bron

In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1907, p. 65-68

Commentaar

oktober 1907
Deze voordracht is, met bijlage, uitgegeven in Historische Avonden, uitg. d. het Histor. Genootschap te Groningen, 2de bundel, 1907, blz 31 vv.

Naam Overig in Tekst

Adolf    Adolf   

Feith    Feith   

Forster Liborius Foster    Forster Liborius Foster   

Ewsum    Ewsum   

Johan van Ewsum    Johan van Ewsum   

De Wijn    De Wijn   

Zybrandt Sickesz    Zybrandt Sickesz   

Motley    Motley   

Le Petit    Le Petit   

la Chapelle du Chasteau    la Chapelle du Chasteau   

Gabbema    Gabbema   

Margaretha    Margaretha   

Naam Locatie in Tekst

Heiligerlee    Heiligerlee   

Aremberg    Aremberg   

Spanje    Spanje   

Nassau    Nassau   

Nederlanden    Nederlanden   

Duitsland    Duitsland   

Enghien    Enghien   

Edingen    Edingen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21