Hoofdtekst
Spr. vergeleek het verhaal omtrent het sneuvelen en ter aarde bestellen der beide graven in dezen brief met de vele andere berichten daarover.
Reeds weinige jaren na den slag schijnt het verhaal in omloop te zijn geweest dat de graven door elkanders zwaard zouden zijn gevallen. Het romantische trok ook latere schrijvers aan, vooral die van minderen rang.
Eindelijk in 1807 ontstak de bekende lands-archivaris Van Wijn echter het gewenschte licht in deze duistere zaak. Onder den titel ‘Egt bericht van het omkomen des Graven van Aremberg’ maakte hij eene gerechtelijke bekentenis openbaar van Zybrandt Sickesz., den man die zelf verklaarde Aremberg te hebben gedood, zoodat dan ook bij latere geschiedschrijvers de legende van den kampstrijd der twee graven op leven en dood niet meer voorkomt. Wel is in onzen tijd o.a. bij Motley, Van Lummel en anderen de voorstelling gebleven dat Aremberg Adolf zou hebben gedood.
Na eene uitvoerige uiteenzetting kwam Spr. tot de slotsom dat graaf Adolf zeer waarschijnlijk op een vurig paard gezeten in het midden der vijanden is geraakt en door vijandelijke ruiters omsingeld, moedig strijdende is gevallen, vóór de zijnen hem konden ontzetten.
Als vaststaande kan worden aangenomen dat graaf van Aremberg, nadat zijn paard onder hem was doodgeschoten, gewond en uitgeput en van zijne vluchtende troepen afgeraakt, meer vermoord is door soldaten van
het minste allooi, dan gesneuveld in een gevecht met een ‘ebenbürtigen’ tegenstander.
Nog meer onzeker zijn de verhalen over de plaatsen waar hunne lijken zijn ter aarde besteld. Voor graaf Adolf worden niet minder dan vier verschillende plaatsen aangegeven; de berichten betreffende het graf van graaf van Aremberg zijn wel eenparig, maar zijn, zooals Spr. uit een uitvoerig onderzoek gebleken is, desniettemin onjuist.
Terwijl eenige schrijvers mededeelen dat beide graven in de Kloosterkerk zijn ter aarde besteld, berichten de meeste en vooral de latere schrijvers, dat de graaf van Aremberg te Heiligerlee is begraven en het lijk van Adolf van Nassau te Wedde, o.a. volgens Le Petit ‘en la Chapelle du Chasteau’ zou zijn bijgezet.
Toch heeft een onderzoek vooral uit brieven en berichten van tijdgenooten Spr. geleerd, dat beide berichten onjuist zijn. Zooals hij uit tal van gegevens aantoonde blijft het raadsel, waar het stoffelijk overschot rust van den eersten graaf van Nassau, die zijn leven liet in den strijd voor de vrijheid der Nederlanden, voorshands onopgelost. Met zekerheid kan alleen worden aangenomen, dat het naar eene plaats in Duitschland vervoerd werd.
Wat Aremberg betreft: graaf Lodewijk heeft aan het stoffelijk overschot van zijn tegenstander de noodige eer bewezen. Het werd door de monniken van het klooster ter aarde besteld in de kloosterkerk te Heiligerlee, ‘alwaar hij met zeven houten beeldekens is begraven, maar naamaals elders vervoert’, zooals Gabbema weet te vertellen. De weduwe van Aremberg, vrouwe Margaretha, had echter geen vrede met het rusten van het lijk van haren beminden gemaal in het verre Noorden. In de maand Augustus 1568 deed zij pogingen om het lijk naar de zuidelijke
Nederlanden overgebracht te krijgen. Dat is toen niet gelukt, maar stellig is dat later wel geschied en is het lijk overgebracht in den hertogelijken familiekelder te Edingen of Enghien in Henegouwen. Op welk tijdstip dit is geschied is tot dusverre nog niet bekend geworden.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Adolf   
Feith   
Forster Liborius Foster   
Ewsum   
Johan van Ewsum   
De Wijn   
Zybrandt Sickesz   
Motley   
Le Petit   
la Chapelle du Chasteau   
Gabbema   
Margaretha   
Naam Locatie in Tekst
Heiligerlee   
Aremberg   
Spanje   
Nassau   
Nederlanden   
Duitsland   
Enghien   
Edingen   
